Gerard Dielessen reisde de afgelopen vijf weken door Noorwegen. Overigens komt hij al meer dan vijftig jaar in het land van de zon in de nacht. Nu reisde hij van de Noordkaap in het hoge noorden tot aan Kristiansand in het diepe zuiden. Tijdens deze reis, maar ook bij eerdere bezoeken, sprak hij veel met Noren over hun cultuur en over de manier waarop die bijdraagt aan een gezonde en sportieve samenleving. In deze Op de Grote Plaat gaat hij, mede naar aanleiding van een gesprek met oud-schaatser en Olympisch kampioen Bart Veldkamp, die tegenwoordig in Noorwegen woont, dieper in op de succesvolle Noorse (top)sportcultuur.
De afspraak met oud-schaatser en olympisch kampioen Bart Veldkamp in zijn Noorse woonplaats Alta kwam misschien niet helemaal toevallig tot stand. Toen ik wist dat ik deze zomer een aantal weken door Noorwegen zou reizen, tot ver boven de poolcirkel, dacht ik al: misschien moet ik Bart eens een appje sturen.
Dat bleek niet nodig. Nadat hij op sociale media had gezien dat ik onderweg was naar de Noordkaap, stuurde hij zelf een bericht. ‘Hi Gerard, zie dat je een mooie reis gaat maken. Mocht je via Alta naar de Noordkaap rijden, laat even weten wanneer je er bent. Dan drinken we een lekker bakkie koffie of zo.’
En zo zaten mijn vrouw Kaya en ik een paar weken later met Bart en zijn Noorse partner Elisabeth Andersen in een restaurant in Alta. We spraken over het leven in Noorwegen en, onvermijdelijk, over sport. Je zou verwachten dat een gesprek met een olympisch kampioen al snel over prestaties, trainingsschema’s en medailles gaat. Maar deze avond ging het vooral over iets anders: over de cultuur waaruit prestaties voortkomen. En die verschilt wezenlijk van de Nederlandse.
Bart vertelde dat hij behoorlijk heeft moeten wennen aan een sportcultuur waarin plezier lange tijd belangrijker is dan winnen. ‘Bij wedstrijden van de jeugd had ik al snel de neiging om in te grijpen. De mindere speler eruit, de betere erin. Want we moeten winnen. Maar zo gaat het hier niet. Ook de kinderen met minder talent moeten spelen. Zelfs als dat betekent dat je de wedstrijd verliest.’
Voor een Nederlandse topsporter is dat bijna tegennatuurlijk. Voor de Noren vormt het juist een belangrijk deel van de basis van hun succes.
Tijdens mijn jaren bij NOC*NSF sprak ik regelmatig met Noorse collega’s. Ik was altijd benieuwd naar hun aanpak en naar wat wij daarvan zouden kunnen leren. De kern is betrekkelijk eenvoudig, maar de consequenties zijn groot. Noorwegen beschermt kinderen relatief lang tegen de volwassen logica van selectie, rangschikking en resultaat.
De Noorse sport kent al sinds 1987 landelijke bepalingen voor de jeugdsport. Die regelen onder meer deelname aan wedstrijden, reisafstanden, prijzen, uitslagen en ranglijsten. Daarnaast zijn er expliciete kinderrechten in de sport, waarin plezier, veiligheid, keuzevrijheid en het recht om mee te doen centraal staan. Het tegelijkertijd beoefenen van verschillende sporten geldt niet als gebrek aan focus, maar als een natuurlijke manier om motorische, sociale en mentale vaardigheden te ontwikkelen.
"Noorwegen beschermt kinderen relatief lang tegen de volwassen logica van selectie, rangschikking en resultaat"
In mijn woorden: laat kinderen spelen, laat ze proberen en maak niet te vroeg van ieder verschil in aanleg een definitief oordeel over talent. Ook in Nederland groeit die gedachte. Langzaam weliswaar, maar toch. De Noren hebben haar consequenter in hun sportstructuur verankerd. Aan de onderkant houden zij de deuren zo lang mogelijk open, terwijl aan de bovenkant weinig aan het toeval wordt overgelaten.
Dat laatste is minstens zo belangrijk. Langlaufen, schaatsen, atletiek en skiën lijken individuele sporten, maar Noorse topprestaties worden gedragen door samenwerking: tussen sporters, coaches, wetenschappers, bonden en lokale verenigingen. De coach is niet alleen een technische specialist, maar ook iemand die kan luisteren, overleggen en relaties kan bouwen. Kennis wordt gedeeld en succes wordt zelden voorgesteld als het werk van één uitzonderlijk individu.
Die houding herkenden Bart en Elisabeth ook in het dagelijks leven. Doe maar gewoon, help elkaar en zet jezelf niet voortdurend in de etalage. In Noorwegen leren kinderen volgens Bart al vroeg dat je niet overal de grootste mond hoeft te hebben. ‘In Nederland heeft tegenwoordig iedereen overal wel een opvatting over’, zei hij. ‘Vroeger was ik waarschijnlijk zelf ook zo. Maar deze manier van leven bevalt me veel beter.’
Daarmee bedoelde hij niet dat Noren geen mening of ambitie hebben. Integendeel. Maar de toon is anders: minder gericht op zichtbaarheid en ego, meer op gelijkwaardigheid; minder op jezelf onderscheiden, meer op je plaats in een groter geheel.
De vaak aangehaalde Janteloven klinkt daarin mee. Oorspronkelijk was die ‘wet van Jante’ een satirische aanklacht tegen een samenleving die mensen klein houdt en afwijkend gedrag afremt. Maar in de positieve Noorse vertaling ervan staan bescheidenheid en gelijkwaardigheid centraal: jij mag uitzonderlijk goed zijn, zolang je niet vergeet dat je het nooit alleen hebt gedaan.
Aan tafel in Alta werd de Noorse sport daardoor geen model of statistiek, maar een manier van denken.
Voor het historische perspectief zijn de Olympische Winterspelen van Lillehammer in 1994 belangrijk. Die sprookjesachtige Spelen waren niet het moment waarop de Noorse sportcultuur ontstond. Skiën hoorde al generaties bij het dagelijks leven. Lokale verenigingen, friluftsliv, gemeenschapszin en vrijwilligerswerk vormden al lang het fundament.
Lillehammer was wel een krachtige versneller. De professionalisering van de topsport was in de jaren tachtig al begonnen: het programma dat later Olympiatoppen werd, begon na de Spelen van 1984, kreeg in 1988 een permanent karakter en kwam in 1990 formeel onder het Noorse Olympisch Comité te vallen. In de aanloop naar Lillehammer werden sportwetenschap, medische begeleiding, coaching en kennisdeling steeds structureler georganiseerd.
Noorwegen won in Lillehammer 26 medailles, waarvan tien goud. Ruim dertig jaar later is de uitwerking nog altijd zichtbaar. Ook bij de Winterspelen van Milaan-Cortina in 2026 eindigde Noorwegen bovenaan het medailleklassement. Lillehammer maakte dus niet uit het niets een topsportland. Het gaf een moderne topsportlaag aan een diepgewortelde bewegingscultuur.
De basis van die cultuur bestaat niet uit vroeg selecteren, kinderen onder druk zetten en talenten zo snel mogelijk in afzonderlijke programma’s onderbrengen. Die basis bestaat uit breedte, plezier, buiten zijn, vrijwilligerswerk, vertrouwen en relatief late specialisatie. Pas daarop is een uiterst professioneel topsportsysteem gebouwd.
Foto onder: Golfbaan Lofoten Links is in de zomer 24 uur per dag open tijdens de midzomernacht.
Plezier, vertrouwen en buiten zijn: dat is ook wat ik tijdens onze vijf weken in Noorwegen overal aantrof. Ik kom inmiddels ruim vijftig jaar in dit land en heb in die tijd gezien hoe de Noren hun natuur steeds toegankelijker hebben gemaakt. Niet door haar te temmen, maar door mensen uit te nodigen haar zelf te beleven.
Dat geldt niet alleen voor wandelen. In Henningsvær, op de Lofoten, ligt een voetbalveld ingeklemd tussen rotsen, huizen en zee, alsof het daar vanzelfsprekend thuishoort. En er werd behoorlijk gebruik van genaakt, toen wij er een kijkje namen. Sport is er niet iets wat apart van het dagelijks leven wordt georganiseerd; het maakt deel uit van de leefomgeving. Diezelfde avond sloeg ik samen met Kaya op Lofoten Links rond middernacht nog een bal, terwijl de zon boven de horizon bleef hangen. Ook daar vloeiden sport, landschap en buitenleven als vanzelf in elkaar over.
"Sport begint in Noorwegen niet in een stadion of op een talentendag, maar buiten: op ski’s, op een bergpad, aan het water en in de lokale vereniging"
Overal in Noorwegen staan tegenwoordig duidelijke routeborden voor eenvoudige, middelzware en veeleisende wandelingen. Paden worden onderhouden, voorzieningen zijn verzorgd en ook minder fanatieke wandelaars en gezinnen kunnen de natuur in. Bij lange beklimmingen liggen soms natuurstenen trappen die met grote precisie door Nepalese sherpa’s zijn aangelegd. Rond Vøringfossen, een van de bekendste watervallen van Noorwegen, maken metalen plankieren en uitzichtpunten een overweldigend landschap bereikbaar zonder dat het gevaarlijk wordt.
Noorwegen ontsluit zichzelf zonder de natuur te willen beheersen. Daardoor zie je veel gezinnen met kinderen buiten. Bewegen wordt er niet zo snel als een tijdelijk beleidsproject behandeld. Het is een gewoonte, ingebed in de manier waarop de samenleving is ingericht.
Sport begint in Noorwegen niet in een stadion of op een talentendag, maar buiten: op ski’s, op een bergpad, aan het water en in de lokale vereniging. Ze winnen zoveel, omdat winnen er lange tijd niet het belangrijkste hoeft te zijn.
Dat is geen tegenstelling tussen breedtesport en topsport. De Noorse les is juist dat het ene het andere mogelijk maakt. Niet iedereen wordt kampioen, maar een brede en veilige basis vergroot wel de kans dat talent zich kan ontwikkelen zonder voortijdig te worden uitgesloten of opgebrand.
In Nederland kijken we bij de ontwikkeling van ons sportbeleid nog vaak naar de bovenkant van de piramide: medailles, selecties, talentprogramma’s, accommodaties en rendement. Natuurlijk is ook bij ons meer aandacht gekomen voor veelzijdig bewegen en later specialiseren. Toch belanden we relatief snel in de vraag wie talent heeft. Noorwegen begint eerder en breder, met de vraag hoe bijna iedereen lang genoeg plezier aan bewegen kan beleven.
Dat dwingt tot ongemakkelijke vragen. Selecteren wij kinderen niet te vroeg? Maken wij sport niet te afhankelijk van prestaties, geld, vervoer en de beschikbaarheid en bereidheid van ouders? Verwarren wij talentontwikkeling soms met talentuitsluiting? En investeren wij voldoende in goede trainers en coaches op de plek waar het voor vrijwel ieder kind begint: de vereniging om de hoek?
Terug naar die bijzondere avond in Alta, ver boven de poolcirkel. Buiten het restaurant bleef het nog uren licht. Dat is het voorrecht van de zomer in het hoge noorden. Maar misschien werpt Noorwegen ook op sport een ander licht. Het land laat zien dat plezier en presteren geen tegenpolen zijn, dat uitstel van selectie geen uitstel van ambitie is en dat topsport niet pas begint wanneer een talent wordt ontdekt.
Topsport begint veel eerder: wanneer een kind de ruimte krijgt om te spelen, te proberen, te vallen en opnieuw te beginnen.
Zouden wij in Nederland meer kampioenen krijgen wanneer we wat minder vroeg op zoek gingen naar kampioenen?
Gerard Dielessen schrijft maandelijks voor Sport & Strategie Online over opvallende ontwikkelingen in de sport, met bijzondere aandacht voor media, leiderschap en internationale sporttrends. Na de Olympische Spelen van Tokio (2021) beëindigde hij zijn periode als algemeen directeur van NOC*NSF. Eerder vervulde hij die rol bij de NOS. Tegenwoordig is hij voorzitter van diverse raden van toezicht, waaronder Omroep MAX, Stichting Alpe d’HuZes en RTV Drenthe, en adviseur van uiteenlopende organisaties.