Presteren met principes

Van Thialf tot Curaçao: wanneer sportieve ambitie en principes gaan schuren

© House of Sports / Menno van Veen

Zeer waarschijnlijk wordt het Olympisch schaatstoernooi in 2030 niet in Frankrijk, waar alle andere wintersport onderdelen plaatsvinden, maar in Heerenveen georganiseerd. Is dat een goed besluit? Het is in ieder geval een boeiend dilemma. De burgemeester van Heerenveen en de minister van Sport zouden er naar uitkijken. De atleten zijn minder overtuigd omdat ze geen onderdeel zijn van de Olympische vibe en vinden dat hun sport minder serieus wordt genomen. Voor beide opvattingen valt veel te zeggen. Dat doet Gerard Dielessen in deze editie van Op de Grote Plaat, die gaat over ‘Presteren met principes.’

Presteren met principes. Daar moest ik aan denken toen een paar weken geleden duidelijk werd dat de kans reëel is dat het olympisch langebaanschaatsen in 2030 niet in de Franse Alpen, maar in Thialf in Heerenveen wordt georganiseerd.

Mooi voor Nederland. Mooi voor Heerenveen. Mooi voor een land waarin schaatsen altijd meer is dan een sport alleen. En toch schuurt het, naar mijn gevoel.

Een van de dragende gedachten van de Olympische Spelen is dat atleten uit de hele wereld niet alleen met elkaar in competitie gaan, maar elkaar ook ontmoeten. In het olympisch dorp, in de eetzaal, in de trainingsomgeving, in de vanzelfsprekende nabijheid van andere sporten, andere culturen en andere verhalen. Tijdens de Spelen die ik in de afgelopen decennia heb meegemaakt, leverde juist die mix vaak de bijzondere, vaak niet te beschrijven sfeer op. Atleten spraken niet zelden over een levensveranderende ervaring. Niet alleen omdat ze hadden gepresteerd, maar omdat ze even onderdeel waren van iets groters dan alleen hun eigen wedstrijd. De Spelen als zeldzame plek waar sporters elkaar kunnen ontmoeten, juist voorbij de geopolitieke spanningen van het moment. Op het speelveld zijn atleten concurrenten en vrienden tegelijkertijd. Dat heb ik altijd heel bijzonder gevonden.

"Het hele evenement (in de zomer) in Nederland organiseren gaat niet gebeuren, zolang daar geen politiek draagvlak voor is"

Gerard Dielessen

Als het schaatstoernooi in 2030 inderdaad in Heerenveen wordt gehouden, winnen we iets. Absoluut. Thialf is een fantastische accommodatie. Altijd volle tribunes, kennis van zaken en waarschijnlijk ook een sfeer die nergens anders op de wereld zo vanzelfsprekend rond het schaatsen bestaat. Toch gaat er ook iets verloren. Voor de Nederlandse schaatsers wordt het bijna een thuiswedstrijd. Voor alle schaatsers wordt het olympisch toernooi meer losgezongen van het geheel. Functioneel misschien uitstekend georganiseerd, maar minder ingebed in die ene, zeldzame olympische gemeenschap. Die uitzonderlijke ervaring. Begrijpelijk dat een aantal Nederlandse topschaatsers sceptisch reageerde toen dit nieuws bekend werd.

Eerlijk is eerlijk: toen ik nog verantwoordelijk was bij NOC*NSF hebben we, samen met de Zwitsers die destijds een bid voor de Winterspelen voorbereidden, ook onderzocht of het langebaanschaatsen in Thialf zou kunnen worden georganiseerd. Ook toen was de gedachte aantrekkelijk: de Olympische Spelen, zelfs voor één discipline, naar Nederland halen. Dat was in mijn ogen het maximaal haalbare. Want het hele evenement (in de zomer) in Nederland organiseren gaat niet gebeuren, zolang daar geen politiek draagvlak voor is. Ik zie dat binnen afzienbare termijn niet ontstaan.

Het is zelden zwart of wit

Ik hoed mij dus voor een streng oordeel in termen van goed of fout. Juist daarin zit de essentie van presteren met principes. In de sport zijn de moeilijkste beslissingen zelden keuzes tussen zwart en wit. Veel vaker botsen twee verdedigbare waarden met elkaar: duurzaamheid met traditie, efficiëntie met beleving, commercieel belang met sportieve autonomie, nationale trots met internationale samenhang, en ga zo maar door.

Dat is precies waarom ik voorzichtig ben met al te stellige oordelen. In de sport zijn principes zelden abstract. Ze krijgen pas betekenis op het moment dat ze onder druk komen te staan. Zolang er geen belangen op het spel staan, is het eenvoudig om te zeggen dat de olympische gedachte leidend moet zijn, dat commerciële invloed begrensd moet blijven, dat duurzaamheid vanzelfsprekend is en dat sportieve autonomie niet ter discussie staat.

"Wie bestuurt in de sport, weet dat je zelden de luxe hebt om één zuiver principe ongeschonden overeind te houden"

Gerard Dielessen

De werkelijkheid van de internationale sport is echter veel complexer. Een olympisch schaatstoernooi in Heerenveen kan botsen met het klassieke beeld van één olympische gemeenschap, maar het kan tegelijk passen bij een ander principe: geen nieuwe accommodatie bouwen die na de Spelen nauwelijks nog wordt gebruikt. Minder verspilling, meer gebruik van bestaande infrastructuur, een soberder en realistischer model voor grote sportevenementen. Ook dat is een principiële keuze.

Zo ontstaan de echte dilemma’s. Wie bestuurt in de sport, weet dat je zelden de luxe hebt om één zuiver principe ongeschonden overeind te houden. In al die jaren dat ik sportbestuurder was heb ik geleerd dat je vaak moet wegen, moet uitleggen en verantwoorden waarom het ene principe op dat moment zwaarder weegt dan het andere.

Presteren met principes betekent dus niet dat je nooit pragmatisch mag zijn. Integendeel. Zonder pragmatisme wordt besturen al snel wereldvreemd. Maar pragmatisme wordt pas geloofwaardig als zichtbaar blijft waar je grens ligt. Als je kunt uitleggen welke waarde je beschermt, welk principe je tijdelijk laat wijken en waarom dat in het grotere belang van de sport verdedigbaar is.

De bondscoach van Curaçao

Een ander voorbeeld zagen we eerder deze maand bij Curaçao. Daar werd de vraag wie er als bondscoach naar het WK voetbal moet gaan plotseling meer dan een sportieve kwestie. Spelers leken een voorkeur te hebben. De sponsor had een belang. De bond had een verantwoordelijkheid. En ergens daartussen stond Fred Rutten, die formeel de bondscoach was, maar in de praktijk steeds minder stevig op zijn plek bleek te staan.

Natuurlijk kun je sportief redeneren dat Dick Advocaat, de man die Curaçao naar het WK leidde, meer gezag, ervaring en misschien ook meer uitstraling meebrengt. De principiële vraag is een andere: mag commerciële of emotionele druk bepalend worden voor de inhoudelijke koers van een sportorganisatie? En zo ja, waar ligt dan nog de bestuurlijke grens?

Ook hier past geen gemakkelijk oordeel vanaf de zijlijn. Sport is emotie. Spelers willen vertrouwen voelen. Sponsors maken soms dingen mogelijk die anders niet zouden kunnen. Bestuurders moeten rekening houden met draagvlak, geld, prestaties en reputatie. Juist daarom moet helder blijven wie uiteindelijk waarvoor verantwoordelijk is. Een sponsor mag betrokken zijn, maar niet sturen of beslissen. Spelers mogen hun stem laten horen, maar niet de governance vervangen. Een bond moet luisteren, maar ook staan voor de eigen verantwoordelijkheid.

Principiële dilemma’s

Thialf en Curaçao zijn geen incidenten. In veel sportorganisaties dienen dit soort principiële dilemma’s zich steeds vaker aan. Ik heb er in ieder geval veel mee te maken gehad. Moet je een atleet naar de Olympische Spelen uitzenden die op een honderdste seconde de limiet heeft gemist? Moet je de minister vragen om TeamNL-atleten met voorrang te laten inenten tegen het COVID-virus? Moet je een nieuwe bond toelaten tot NOC*NSF die eigenlijk net niet voldoet aan de minimale kwaliteitseisen? Sportieve en bestuurlijke dilemma’s. Daar kan ik een boek over vol schrijven. Presteren met principes begint precies op dat soort momenten.

Precies daar raakt dit thema aan wat mij in de sport al jaren bezighoudt. Presteren vraagt om scherpte, ambitie, lef en soms ook om onorthodoxe keuzes. Presteren zonder principes wordt uiteindelijk stuurloos. Dan bepaalt de druk van het moment de koers. Dan wint degene met de grootste stem, de meeste invloed of het meeste geld. Dan raakt de sport langzaam kwijt wat haar bijzonder maakt: dat prestatie niet alleen een uitkomst is, maar ook een manier van handelen.

"Presteren zonder principes wordt uiteindelijk stuurloos. Dan bepaalt de druk van het moment de koers"

Gerard Dielessen

Ik heb in mijn jaren in de sport vaak genoeg gezien hoe moeilijk dat is. Besturen is zelden het verdedigen van één zuiver standpunt. Het is wegen. Luisteren. Soms meebewegen. Soms juist niet. Het is accepteren dat de buitenwereld (met name de media) snelle antwoorden wil, terwijl de goede afweging bijna altijd trager is. Het is vooral: weten waar je grens ligt, voordat anderen die grens voor je gaan verleggen.

Misschien is dat wel de kern van presteren met principes. Niet dat je altijd de meest principiële keuze maakt in de ogen van iedereen. Dat kan niet. Maar wel dat je inzichtelijk maakt vanuit welke waarden je handelt.

Dat je uitlegt waarom je iets doet.

Dat je niet wegduikt achter succes, geld, populariteit of opportuniteit.

Dat je, ook als de druk groot is, blijft beseffen dat sport meer is dan winnen alleen.

Want juist in de sport, waar emotie, commercie, nationale trots en prestatiedrang zo dicht op elkaar zitten, zijn principes geen luxe. Ze zijn het kompas. Niet om elke bocht te vermijden, maar om onderweg niet de richting kwijt te raken.

Over de auteur

Gerard Dielessen schrijft maandelijks voor Sport & Strategie Online over opvallende ontwikkelingen in de sport, met bijzondere aandacht voor media, leiderschap en internationale sporttrends. Na de Olympische Spelen van Tokio (2021) beëindigde hij zijn periode als algemeen directeur van NOC*NSF. Eerder vervulde hij die rol bij de NOS. Tegenwoordig is hij voorzitter van diverse raden van toezicht, waaronder Omroep MAX, Stichting Alpe d’HuZes en RTV Drenthe, en adviseur van uiteenlopende organisaties. Onlangs verscheen zijn boek Onze Giro – de lange weg naar dichtbij over een fietstocht door Italië met een vriend.