"De nadruk op verenigingen versterkt ongelijkheid in sportdeelname"

Gemeentelijke sportaccommodaties kunnen breder gebruikt worden dan alleen door clubs en verenigingen, zegt Björn Schadenberg van het Mulier Instituut

© Shutterstock.com

Duizenden sportclubs hebben een wachtlijst of ledenstop vanwege ruimtegebrek, zo luidde NOC*NSF in november de noodklok. Met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart eist de nationale sportkoepel dan ook ‘harde afspraken’ over ruimte voor sport. Maar hoe diep is de ruimtelijke crisis, hoe groot is de behoefte aan meer accommodaties nu echt? Björn Schadenberg, senior-onderzoeker bij het Mulier Instituut, gaf in vakblad Sportaccom extra duiding bij die vragen.

Gevraagd naar de vermeende crisis op sportaccommodatiegebied zegt Björn Schadenberg allereerst dat er veel goed gaat in de Nederlandse sport. Ondanks een groeiend tekort aan vrijwilligers blijft het verenigingsleven sterk ontwikkeld. En geen land heeft zulke prachtige accommodaties. Maar de conclusie van Remco Hoekman bij zijn oratie als bijzonder hoogleraar aan Radboud Universiteit dat vooral verenigingen en hun leden daarvan profiteren, is volkomen juist.

Opmerkelijk is ook dat er bij de besteding van de gemeentelijke sportbudgetten nauwelijks regie plaatsvindt vanuit de landelijke overheid. Al lijkt een kentering ophanden, constateert Schadenberg. “VWS lijkt met zijn beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen meer sturend te willen zijn. En bijvoorbeeld meer in te willen zetten op de toegankelijkheid van accommodaties voor mensen met een beperking.” Maar de vraag ‘wat willen we eigenlijk met onze sportaccommodaties?’ heeft vanuit de landelijke overheid nooit diepgaander antwoord gekregen dan dat ze wil dat de breedtesport genoeg ruimte heeft om zijn activiteiten te organiseren en dat sportverenigingen hierin een centrale rol spelen. Vervolgens wordt het aan de gemeentes overgelaten om te zorgen voor voldoende sporthallen en sportvelden.

"Net als in de landelijke politiek is sport en bewegen in de meeste gemeenten een onderwerp van ondergeschikt belang"

Björn Schadenberg - Senior-onderzoeker bij het Mulier Instituut

"Ook in de coalitieakkoorden van de meeste gemeenten wordt nauwelijks antwoord gegeven op de vraag: wat willen we met onze sportaccommodaties? Net als in de landelijke politiek is sport en bewegen in de meeste gemeenten een onderwerp van ondergeschikt belang. Het wordt in de coalitieakkoorden wel genoemd, maar weinig concreet. Ik denk niet dat we daar na de gemeenteraadsverkiezingen veel verandering in gaan zien."

Breder probleem

De noodklok die NOC*NSF in november luidde over de ruimte voor sport werd door de sportkoepel kracht bij gezet met eigen onderzoek. Daaruit bleek dat één op de tien sportclubs, in de Randstad zelf één op vijf, met wachtlijsten of met ledenstop zitten vanwege ruimtegebrek. Schadeberg over die uitkomsten: “Ja, er zijn beslist verenigingen met onvoldoende velden en onvoldoende uren in sporthallen of zwembaden beschikbaar. Deels omdat deze accommodaties tijdens de verenigingsuren vol zitten, deels omdat verenigingen te weinig trainers, begeleiding of toezicht hebben. Het is dus niet alleen een accommodatieprobleem, maar een breder probleem. Vandaar de recente – en terechte – oproep in de Tweede Kamer aan VWS om tot een integraal plan van aanpak te komen en zowel de sportinfrastructuur als de sportvereniging te ondersteunen.”

‘Wat willen we met onze sportaccommodaties’

Al jarenlang gaat 75 procent van het gemeentelijk sportbudget naar accommodaties. Toch is de sportdeelname nauwelijks toegenomen. Die schommelt nog steeds rond de 50 procent. "Behalve in accommodaties is de afgelopen 20, 25 jaar ook veel geld en energie gegaan naar sportstimulering en interventies om groepen die minder sporten – bijvoorbeeld ouderen, mensen met een migratieachtergrond en mensen met een beperking – meer in beweging te krijgen. Hiervan zijn genoeg succesvolle voorbeelden. Als hiervoor gemeentelijke accommodaties nodig zijn, moet je die als lokale overheid misschien vaker beschikbaar stellen. Maar het klopt dat de landelijk sportdeelname slechts beperkt is toegenomen. En die toename is vooral toe te schrijven aan de bevolkingssamenstelling die is veranderd."

"Dat maakt de vraag ‘wat willen we met onze sportaccommodaties’ nog dringender. Gemeenten investeren voornamelijk in sportvelden en sportparken, dus in sporten als voetbal, hockey, korfbal. En in zwembaden en sporthallen, in zaalsporten als volleybal, handbal, badminton. Met andere woorden: in verenigingssporten waarin een groot deel van de 50 procent van de sportende Nederlanders actief is. Het geld gaat dus vooral naar mensen die de weg naar deze accommodaties allang hebben gevonden. Als we dat investeringspatroon in stand houden, houden we ook de ongelijkheid in sportdeelname in stand. Want het zijn telkens dezelfde bevolkingsgroepen die hierdoor bovengemiddeld worden bediend."

Puzzel

Schadenberg ziet dat door de behoefte aan woningen, sportvoorzieningen soms moeten wijken voor woningbouw. "Vaak wordt het verlies aan sportruimte op andere plekken gecompenseerd, in de zin dat daar extra sportcapaciteit wordt gecreëerd. Maar als door de woningbouw ook het aantal inwoners stijgt, gaat onder de streep de sportcapaciteit per inwoner natuurlijk achteruit. Dat zie je vooral in grote steden: de capaciteit in vierkante meter sporthal en -veld of kubieke meter water blijft misschien gelijk, maar het aantal inwoners neemt toe. Dan neemt de druk ook toe. Helemaal als je als gemeente de sportdeelname wil vergroten en ook mensen aan het sporten krijgt die dat nu niet doen."

De nabijheid of beschikbaarheid van accommodaties is overigens niet de eerste factor die verklaart waarom iemand wel of niet sport, beklemtoont Schadenberg. "Gezondheid en leeftijd bepalen in grote mate of je wel of niet sport. Daarna komt de persoonlijke context: is sport iets vanzelfsprekends in je leven? Sportten je ouders, je vriendjes, je opa en oma vroeger? Kwam je met sport in aanraking op school, bij de kinderopvang? De aanwezigheid van sportaccommodaties verklaart maar voor een heel klein deel waarom mensen wel of niet gaan sporten.

"Het beeld is al jarenlang: grofweg 50 procent van de Nederlandse bevolking sport wel, 50 procent niet. En van de helft die sport, doet de helft dat via een vereniging op een sportaccommodatie, dus in een sporthal, op een sportpark of voetbalveld of in een zwembad – die veelal gesteund worden door de gemeente. De andere helft doet dat bijvoorbeeld bij een ondernemende sportaanbieder, in de openbare ruimte of thuis. Accommodaties zijn dus maar een stukje van de puzzel om mensen die niet of weinig sporten, in beweging te krijgen. De afwezigheid of een gebrek aan accommodaties is bijna nooit een reden om niet te sporten. Hoeveel accommodaties we ook bouwen, we gaan nooit naar een 100 procent sportdeelname."

Onderbenutting

"Gemeentes stoppen veel geld en ruimte in sportaccommodaties waar vooral verenigingen gebruik van maken. Dat is enerzijds prima, want verenigingen spelen een grote rol in de sportbeoefening en de opvoeding van onze kinderen, en ook in de sociale cohesie. Tegelijk wordt met die nadruk op verenigingen de ongelijkheid in sportdeelname versterkt. Mensen met een beperking, een lagere sociaaleconomische achtergrond of een migratieachtergrond, sporten vaker bij de ondernemende sportaanbieders, de fitnesscentra, de sportscholen, de dojo's – het type accommodatie of aanbieder waar geen of weinig gemeentelijke ondersteuning naartoe gaat.

“Gegeven het huidige capaciteitsprobleem, in de vorm van wachtlijsten en ledenstops, is het soms moeilijk om meer ruimte te geven aan andere doelgroepen. Toch moeten we hier kritisch naar blijven kijken. Is een gemeentelijke accommodatie er alleen voor verenigingen en sporters die twee keer in de week trainen en in het weekend hun wedstrijd spelen?

"Ik vind dat je als gemeente dus best sturend mag optreden in het gebruik van je accommodaties. Er gaat veel geld naartoe, dan mag je ook bepalen wat daar moet plaatsvinden"

Björn Schadenberg - Het Mulier Instituut

"Daar komt bij dat het gebruik van veel accommodaties de laatste 10, 20 jaar is versmald. Doordeweeks wordt voornamelijk tussen acht en tien uur ’s avonds getraind, voorheen was dat meer tussen zes en elf. De gebruikspiek is dus hoger geworden: we willen met z’n allen op een kleiner deel van de dag gebruikmaken van de beschikbare accommodaties. In het weekend gebeurt hetzelfde. Er is een verschuiving gaande om sportwedstrijden zoveel mogelijk op zaterdag te laten plaatsvinden. Waardoor er een piekbelasting is op zaterdag en ondergebruik op zondag.

"Die onderbenutting is deels niet te voorkomen. Op vrijdag en in het weekend staan er in Nederland ook veel kantoren leeg. De Rijksbouwmeester noemde dat in een bijeenkomst met NOC*NSF onlangs een stuk ‘geaccepteerde leegstand’. Maar als je als gemeente middelen beschikbaar stelt voor accommodaties, dan moet je ook kritisch willen kijken naar hoe je de accommodaties wilt inzetten. Daar is vaak geen visie op.

"Ik vind dat je als gemeente dus best sturend mag optreden in het gebruik van je accommodaties. Er gaat veel geld naartoe, dan mag je ook bepalen wat daar moet plaatsvinden. Zeker, het wachtlijstenprobleem is een reëel probleem dat opgelost moet worden. Maar daarbij moet wel het besef zijn dat dit mensen zijn die de weg naar de sport – naar de vereniging en accommodatie – al hebben gevonden."

Doelstellingen

Een andere vorm van ongelijkheid op sportaccommodatiegebied zit in de huurtarieven die gemeenten rekenen. De huur die clubs betalen voor sportvelden en sportaccommodaties aan gemeenten is vaak niet kostendekkend. Voetbalclubs betalen via huur 10, 20 of misschien 30 procent van de kosten van het voetbalveld. “In feite worden al deze verenigingen dus door de gemeente gesubsidieerd. Zo houden de gemeenten de verenigingssport toegankelijk. Maar wie wil sporten bij een fitnessaanbieder of een vechtsportschool, moet de kosten wel zelf betalen. Terwijl zij wel stevig bijdragen aan gemeentelijke doelen ten aanzien van sportdeelname.”

De focus op verenigingen verhindert gemeenten daarnaast snel en adequaat te reageren op nieuwe trends, zoals Hyrox. “Ondernemende sportaanbieders kunnen de voorzieningen daarvoor veel sneller op poten zetten dan gemeentelijke accommodaties. Terwijl in deze gemeentelijke accommodaties, zeker op leegstaande uren overdag, ook andere, nieuwe activiteiten kunnen plaatsvinden.

"Er is vrijwel geen gemeente die concreet uitspreekt welke doelstellingen ze nastreeft met haar accommodaties"

Björn Schadeberg - Het Mulier Instituut

"Telkens kom je uit op de vraag: wat wil je als gemeente met je sportbeleid en je sportaccommodaties? Die vraag, en daar wil ik me sterk voor maken, wordt vaak niet of niet expliciet beantwoord. Je zult eerst moeten vastleggen welk sportaanbod je op welke manier wilt ondersteunen. En dat hoeft niet per se met een accommodatie. Er is vrijwel geen gemeente die concreet uitspreekt welke doelstellingen ze nastreeft met haar accommodaties. Willen we meer mensen in beweging krijgen? Of willen we via sportverenigingen de sociale cohesie bevorderen? Dat zijn twee verschillende vragen en van een gemeente mag je verwachten dat ze die vragen beantwoorden en daarnaar handelen."

Bandbreedtes

Schadenberg wil de gemeenten niet helemaal afvallen. Voorzieningen voor urban sports zijn in veel grote steden best snel tot stand gekomen, alsmede sport- en fitnessvoorzieningen in de openbare ruimte. “Daarvan hebben gemeenten gezegd: dat spreekt sporters aan die doorgaans niet goed worden bediend en die we graag willen faciliteren. En op steeds meer gemeentelijke sportparken worden nieuwe voorzieningen toegevoegd zoals pumptracks.”

Het Mulier Instituut schat in zijn brancherapport over sportaccommodaties dat er in 2035 tussen de 20 en 200 extra sporthallen nodig zijn en tussen de 400 en 3800 sportvelden. "De bandbreedtes moeten helpen bij de discussie over waar we heen willen met onze sportinfrastructuur. De bevolkingsgroei leidt tot een grotere behoefte. Maar er zijn ook meer accommodaties nodig om ambities waar te maken. Ambities – zoals die van VWS om 75 procent van de bevolking aan de beweegrichtlijn te laten voldoen of die van NOC*NSF om 12 miljoen Nederlanders te laten sporten – zijn vaak een stip op de horizon. En niet iets dat zonder meer wordt gerealiseerd. Voor de beweeg- en sportambities geldt dat de huidige trendlijnen ons daar niet naartoe gaan brengen. Daar moet wat anders voor gebeuren of we moeten er meer op inzetten. En dan kan het zomaar juist wel logisch zijn dat je om extra geld en accommodaties vraagt. Vanuit onze rol – als kritische vriend van de sportsector – stellen wij in ieder geval vast dat we die stip op de horizon niet dichterbij brengen als we blijven doen wat we nu doen."

Dit artikel verscheen eerder in een uitgebreidere versie in vakblad SPORTACCOM (editie 4-2025)