De Olympische Winterspelen in Italië zitten erop. Nederland presteerde uitstekend: opnieuw een plek in de top-10 van het medailleklassement. Waar een klein land groot in kan zijn. Veel landen kijken met bewondering – soms met jaloezie – naar het Nederlandse sportmodel, dat al jaren structureel succesvol is. TeamNL staat als een huis: een ploeg van gewone mensen die bijzondere prestaties leveren. In zijn nieuwe column Op de Grote Plaat beschrijft Gerard Dielessen het ontstaan van TeamNL en de betekenis ervan. Tegelijkertijd analyseert hij hoe de olympische beweging voor fundamentele uitdagingen staat en zichzelf de komende jaren opnieuw zal moeten uitvinden om toekomstbestendig te blijven.
Wat mij betreft zijn Jens en Melle van ’t Wout de helden van TeamNL in Milaan. De manier waarop zij hun zilveren en bronzen medaille vierden na de finale van de 500 meter shorttrack was pure sportemotie. Ze reden met hart en alles wat ze in zich hadden. Geen ingestudeerd gejuich. Wel twee broers die beseften dat een gezamenlijke jeugddroom werkelijkheid was geworden.
De weg naar dat moment was allesbehalve recht. Zeker voor Melle, die de afgelopen jaren werd teruggeworpen door blessures. Maar juist dat maakt sportverhalen zo krachtig: de combinatie van talent, tegenslag en vasthoudendheid. Als jonge sporters, opgegroeid in Canada, droomden zij ervan ooit samen op een olympisch podium te staan. In Milaan gebeurde het. En dat op een avond waarop Jens eerder tijdens deze Spelen al twee keer goud had gewonnen. Wat een verhaal.
Halverwege het vorige decennium formuleerden we bij de introductie van TeamNL een eenvoudige gedachte: gewone mensen die bijzondere prestaties leveren. Die woorden klonken destijds bijna bescheiden, maar ze raakten de kern. Topsporters zijn geen mythische figuren, maar mensen van vlees en bloed die dankzij discipline, begeleiding en een sterk systeem boven zichzelf uitstijgen.
"De Winterspelen hebben opnieuw laten zien wat sport kan betekenen: inspiratie, verbinding en voorbeelden die generaties overstijgen"
TeamNL eindigde in Milaan opnieuw dik in de top-tien van het medailleklassement. ‘Nummer drie zelfs’ Dat is geen vanzelfsprekendheid voor een land met onze omvang. We hielden erkende wintersportlanden als Canada, Zweden, Oostenrijk en Zwitserland, en zelfs het organiserende Italië, achter ons. Zulke prestaties zijn geen toeval. Ze zijn het resultaat van jarenlange investeringen in talentontwikkeling, innovatie, professionele begeleiding en nauwe samenwerking tussen bonden, coaches en NOC*NSF.
Als oud-directeur van NOC*NSF krijg ik nog regelmatig de vraag waarom die top-10-positie zo belangrijk is. “Moeten we niet veel meer investeren in sportdeelname?” luidt dan de logische vervolgvraag. Het antwoord is helder: het is geen tegenstelling. Breedtesport en topsport versterken elkaar.
Dat inzicht werd al bevestigd in de zogeheten top-10-studie van 2012. Topsporters belichamen de kracht van sport en fungeren als inspirerend voorbeeld voor hun omgeving. Er is sprake van een wisselwerking. De breedtesport vormt het fundament voor topsport, terwijl topsport prestaties levert die nieuwe generaties in beweging brengen. Kijk naar de stormachtige populariteit van shorttrack in Nederland. De prestaties van onder anderen Suzanne Schulting, Sjinkie Knegt, Xandra Velzeboer en nu Jens en Melle van ’t Wout hebben een hele sport zichtbaar en aantrekkelijk gemaakt.
Veertien jaar later heeft die analyse niets aan kracht ingeboet. Inspiratie werkt. Maar inspiratie alleen is niet voldoende.
Want terwijl TeamNL in Milaan oogstte wat jaren geleden is gezaaid, staat de Olympische beweging zelf voor fundamentele vragen. Allereerst is er de economische houdbaarheid. Steeds minder steden staan te trappelen om de Spelen te organiseren. De kosten zijn enorm, de publieke weerstand groeit en de maatschappelijke baten worden kritischer gewogen. Het Internationaal Olympisch Comité heeft met nieuwe toewijzingsprocedures en meer flexibiliteit al stappen gezet, maar het model blijft kwetsbaar.
De vraag is of en hoe mondiale topsportevenementen in hun huidige vorm nog houdbaar zijn in een tijd waarin burgers meer zeggenschap eisen en publieke middelen onder druk staan. De legitimiteit van het olympisch systeem hangt samen met de mate waarin het transparant, efficiënt en maatschappelijk verantwoord opereert. Als dat niet gebeurt dan worden de Spelen uiteindelijk het domein van autocratieën, waar geheel andere waarden gelden.
Daarnaast is er de geopolitieke realiteit. Sport en politiek zijn sinds het begin van de moderne Olympische Spelen in 1896 onafscheidelijk. Oorlogen, mensenrechtenkwesties en internationale spanningen laten zich niet buiten het olympisch stadion houden. De ambitie om sport boven de politiek te plaatsen botst met een wereld die steeds minder neutraal is.
Besluiten over deelname, neutraliteit of uitsluiting worden onmiddellijk onderdeel van een breder maatschappelijk debat. Dat vraagt om leiderschap, consistente waarden en besluitvorming die uitlegbaar is. De geloofwaardigheid van het IOC staat of valt met de manier waarop het deze dilemma’s hanteert.
Ten derde is er de strijd om relevantie. Jongere generaties beleven sport anders dan twintig jaar geleden. Zij consumeren fragmenten, volgen individuele atleten via sociale media en voelen zich minder vanzelfsprekend verbonden met instituties. De Olympische Spelen concurreren met commerciële circuits, entertainmentplatforms en e-sports. De kracht van het olympisch verhaal, landen die samenkomen in vreedzame competitie, blijft uniek, maar kan niet op traditie alleen drijven. Relevantie moet telkens opnieuw worden verdiend.
"Hoe geloofwaardig blijft een wintersportevenement wanneer sneeuwkanonnen op volle kracht draaien terwijl klimaatrapporten elkaar opvolgen?"
En dan is er de klimaatvraag. De Winterspelen voelen direct de gevolgen van de opwarming van de aarde. Op tal van klassieke locaties valt structureel minder sneeuw. De ecologische footprint van een Olympische Spelen blijft aanzienlijk, ook al wordt steeds vaker ingezet op duurzame energie, circulaire bouw en groene infrastructuur als ‘legacy’. Hoe geloofwaardig blijft een wintersportevenement wanneer sneeuwkanonnen op volle kracht draaien terwijl klimaatrapporten elkaar opvolgen? De olympische beweging kan zich niet veroorloven deze discussie te ontwijken.
Het is opmerkelijk dat Nederland, ondanks zijn sportieve en bestuurlijke reputatie, al jaren geen vertegenwoordiging heeft in het IOC. Voor een land dat structureel tot de mondiale top behoort en internationaal wordt gewaardeerd om zijn sportorganisatie, is dat een lacune. Juist in een periode waarin fundamentele keuzes worden gemaakt over de toekomst van de Spelen, is het belangrijk dat wij meepraten op het hoogste niveau.
De opgave voor de nieuwe IOC-voorzitter, Kirsty Coventry, is dan ook groter dan het organiseren van succesvolle edities van de Spelen. Het gaat om het toekomstbestendig maken van een mondiaal instituut in een veranderende wereld. Dat vraagt om bestuurlijke moed, internationale samenwerking en de bereidheid om te vernieuwen zonder de ziel van het evenement te verliezen.
Hier ligt een duidelijke parallel met het ontstaan van TeamNL. Ook daar ging het om herijking. Om de keuze voor een herkenbaar, consistent en toekomstgericht verhaal dat verder ging dan losse medailles. Om het verbinden van prestaties aan een bredere betekenis. De Olympische beweging staat voor een vergelijkbare opdracht: vasthouden aan haar kernwaarden (respect, vriendschap en excelleren) en tegelijkertijd het format, de organisatie en de maatschappelijke inbedding moderniseren.
De paradox is helder. In Milaan zagen we hoe krachtig de olympische droom nog altijd is. Twee broers op het podium, ontlading, emotie, nationale trots. Dat beeld raakt en creëert sociale samenhang in een samenleving die regelmatig verdeeld oogt. Tegelijkertijd weten we dat achter dat moment een complex, waardevol en kwetsbaar systeem schuilgaat.
De Winterspelen hebben opnieuw laten zien wat sport kan betekenen: inspiratie, verbinding en voorbeelden die generaties overstijgen. Maar die kracht is geen vanzelfsprekend bezit. Ze moet telkens opnieuw worden verdiend. Op het ijs, in de bestuurskamer en in het publieke debat.
De broers Van ’t Wout, en een aantal andere TeamNl-atleten, bewezen dat dromen werkelijkheid kunnen worden wanneer talent en toewijding samenkomen in een sterk systeem. De vraag is of de olympische beweging dezelfde vastberadenheid toont om haar eigen ideaal toekomstbestendig te maken.
Gerard Dielessen schrijft maandelijks voor Sport & Strategie Online over opvallende ontwikkelingen in de sport, met bijzondere aandacht voor media, leiderschap en internationale sporttrends. Na de Olympische Spelen van Tokio (2021) beëindigde hij zijn periode als algemeen directeur van NOC*NSF. Eerder vervulde hij die rol bij de NOS. Tegenwoordig is hij voorzitter van diverse raden van toezicht, waaronder Omroep MAX, Stichting Alpe d’HuZes en RTV Drenthe, en adviseur van uiteenlopende organisaties. Als fanatiek fietser rijdt hij samen met een vriend in etappes langs de grenzen van Italië – hun eigen Giro, waarover in maart een eerste boek verschijnt.
Foto boven artikel: Melle en Jens Van 't Woud na hun zilveren en bronzen medaille op de 500 meter shorttrack tijdens de Olympische Winterspelen in Milaan. Foto: Iris van den Broek / ANP
Lees ook deze artikelen over een Nederlander in het IOC: