'Sportverenigingen zijn te belangrijk voor een falend subsidiesysteem'

De ophef over de recente problemen rond de BOSA-regeling laat opnieuw zien hoe kwetsbaar de financiering van sportverenigingen in Nederland is geworden, stelt Jan Raateland in een opinie. Tal van verenigingen kunnen geplande renovaties of nieuwbouw voorlopig vergeten, simpelweg omdat het beschikbare subsidiebudget ontoereikend blijkt.

De BOSA-regeling — de subsidieregeling voor bouw en onderhoud van sportaccommodaties — beschikt in 2026 over een budget van slechts 43,5 miljoen euro. Dat bedrag bleek al snel anderhalf keer overvraagd. Bovendien verliep ook de aanvraagprocedure problematisch. Verenigingen investeerden tijd, geld en energie in plannen die uiteindelijk strandden in een systeem dat vooral schaarste verdeelt.

Maar het echte probleem gaat veel verder dan deze ene regeling.

Het BOSA-debacle maakt opnieuw duidelijk dat een subsidiesysteem fundamenteel ongeschikt is om de nationale sportinfrastructuur duurzaam in stand te houden, laat staan toekomstbestendig te maken. En dat geldt niet alleen voor de BOSA-regeling.

"Sportverenigingen zijn namelijk geen hobbyprojecten. Zij vormen een essentieel onderdeel van de Nederlandse samenleving"

Jan Raateland

Wie de subsidiestromen richting sportverenigingen van de afgelopen twintig jaar bestudeert, ziet een terugkerend patroon: tijdelijke regelingen, ingewikkelde voorwaarden, beperkte budgetten en voortdurende onzekerheid. Structurele verbetering blijft vrijwel altijd uit. Subsidies zijn incidenteel van aard, afhankelijk van politieke prioriteiten en bovendien gebaseerd op het principe: wie betaalt, bepaalt.

Daarmee ontstaat geen stabiel fundament voor de ruim 24.000 sportverenigingen die Nederland telt.

Rendement van regelingen?

Nog problematischer is dat evaluaties van subsidieregelingen zelden leiden tot wezenlijke politieke conclusies. Een treffend voorbeeld is de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC), jarenlang goed voor bijna 200 miljoen euro per jaar aan subsidies voor sport en bewegen.

In het Eindrapport Evaluatie BRC van Regioplan uit november 2021 wordt vastgesteld dat “gerichte metingen naar de impact van de regeling ontbreken op landelijk niveau en meestal ook op gemeentelijk niveau.” Met andere woorden: na vijftien jaar investeren kon nog steeds nauwelijks worden vastgesteld welk effect de regeling daadwerkelijk had op sport- en beweegdeelname.
Toch werd de regeling opnieuw verlengd.

Opmerkelijk genoeg was die twijfel al veel eerder bekend. In 2015 zei toenmalig minister van Sport Edith Schippers in de Tweede Kamer al:
Het blijkt lastig om de effecten, primair op het gebied van sport- en beweegdeelname, goed en nauwkeurig te meten en direct te relateren aan de inzet van buurtsportcoaches.”

Op dat moment liep de regeling al acht jaar. Daarna volgden opnieuw verlengingen.

Zelfs het meest recente onderzoek van het Mulier Instituut uit november 2025, komt nog altijd niet tot overtuigende en betrouwbaar meetbare effecten. Tien jaar later bevindt de discussie zich feitelijk nog steeds op hetzelfde punt.

Dat roept een ongemakkelijke vraag op: waarom blijven we vasthouden aan een systeem waarvan het rendement nauwelijks aantoonbaar is?

Incidentele subsidiepotjes

Daar komt nog iets bij. De overheid begeeft zich via allerlei subsidieregelingen feitelijk zelf als aanbieder op de sportmarkt. Dat is op zijn minst merkwaardig. Sportverenigingen worden geacht zelfstandig te functioneren, maar zijn tegelijkertijd steeds afhankelijker geworden van tijdelijke overheidsregelingen, politieke keuzes en bureaucratische procedures.
Wie zuiver kijkt, ziet dat hier sprake is van een vorm van marktfalen die door de overheid zelf wordt veroorzaakt.

Intussen houden honderdduizenden vrijwilligers de verenigingen overeind. Bestuurders investeren avond na avond hun tijd aan accommodaties, jeugdbeleid, financiën, verduurzaming en sociale samenhang. Zij verdienen beter dan een systeem waarin zij voortdurend afhankelijk zijn van incidentele subsidiepotjes en politieke willekeur.

"Het fiasco rond de BOSA-regeling bevestigt vooral één ding: de afstand tussen overheid en sportverenigingen is te groot geworden om nog effectief sportbeleid te kunnen voeren"

Jan Raateland

Sportverenigingen zijn namelijk geen hobbyprojecten. Zij vormen een essentieel onderdeel van de Nederlandse samenleving. Ze dragen bij aan gezondheid, sociale cohesie, participatie, opvoeding en leefbaarheid in buurten en dorpen. Juist daarom is het vreemd dat hun financiering nog altijd grotendeels rust op tijdelijke regelingen en onzeker beleid.

Het fiasco rond de BOSA-regeling bevestigt vooral één ding: de afstand tussen overheid en sportverenigingen is te groot geworden om nog effectief sportbeleid te kunnen voeren. Daarom is het tijd voor een fundamenteel andere benadering. Geen debatten in de Tweede Kamer meer over incidenteel tien, veertig of zestig miljoen extra subsidie. Geen tijdelijke lapmiddelen en geen bureaucratische subsidiefabriek meer. Wat nodig is, is een structureel stelsel waarin sport eindelijk wordt erkend als publieke voorziening. Een sportwet! Een wettelijk verankerd systeem, van waaruit een nieuwe organisatie en financiering voor de sport tot stand moet komen; waarin niet alleen accommodaties duurzaam worden gefinancierd, maar ook de professionalisering en maatschappelijke rol van sportverenigingen en hun vertegenwoordiging, goed is geregeld.

Sportverenigingen zijn daarvoor eenvoudigweg te belangrijk.

Hoe het anders, beter kan

Een goed voorbeeld vanuit eigen ervaring laat zien hoe de bouw- of renovatiekosten van verenigingsaccommodaties anders gefinancierd kunnen worden.

In 2007 vond na vier jaar voorbereiding de realisering van de Haagsche Dynamiek plaats, Het was in een tijd dat woningcorporaties nog mochten investeren in (bovenwijkse-) maatschappelijke voorzieningen.
Drie ondernemende bestuurders van de Haagse sportvereniging DUNO, wisten een plan uit te voeren voor een multifunctioneel clubgebouw, ter waarde van 2,3 miljoen euro. Met veel plezier en tevredenheid huren zij, nu al bijna 20 jaar, tegen een maatschappelijk zeer aanvaardbaar bedrag hun clubgebouw, ‘huiskamer’ en kleedkamers. Het pioniersgedrag van die drie bestuurders gold, en geldt nog steeds als voorbeeld voor Nederland. Het Buurthuis van de Toekomst, toen al, avant la lettre!

Waarom heeft dit geen navolging gekregen bij de politiek en de beleidsmakers in de sport?

Over de auteur

Jan Raateland zet zich al meer dan tien jaar op allerlei manieren in voor de versterking van sportverenigingen in Nederland. Hij is een van de initiatiefnemers van stichting ONS, een stichting die mensen en sportverenigingen verbindt. www.stichtingons.nl

Lees meer over Jan Raateland in zijn auteursbiografie en op zijn website: De Sportverenigingen.nl