Ruimte voor sport: twee kanten van dezelfde medaille in stad en landelijk gebied

Breakoutsessies Nationaal Sportcongres 2026 ruimte voor sport in stedelijk en landelijk gebied

© Shutterstock

Ruimte, sport en aantal inwoners. Zowel in de stad als in het landelijk gebied zorgen deze drie voor grote uitdagingen. Waar de stad kampt met te weinig (sport)ruimte voor te veel mensen, is het probleem op het platteland precies het tegenovergestelde: sportverenigingen en -faciliteiten lopen leeg en verdwijnen. Hoewel de opgaven overal anders zijn, zijn de oplossingen opvallend vergelijkbaar: multifunctionele faciliteiten, sport als integraal onderdeel van de ruimtelijke opgave en samenwerking tussen de verschillende domeinen binnen de gemeentelijke organisatie.

Op die manier kan sport een deel van de oplossing zijn voor allerlei uitdagingen in het fysieke en sociale domein en helpen om de leefbaarheid en gezondheid in zowel de stad als het landelijk gebied te behouden en verbeteren. Tijdens twee breakoutsessies op het Nationaal Sportcongres 2026 werd gesproken over de uitdagingen en kansen voor sport en bewegen in zowel stedelijk als landelijk gebied.

Gebruik van sportruimte in de stad

"Sport en bewegen hebben ruimte nodig, maar leveren ook veel op voor de brede welvaart", zegt Wendy van Kessel. Zij is stedenbouwkundige bij bureau Urhahn en kijkt vanuit ruimtelijke ordening naar sport en bewegen. Ze heeft onder andere onderzoek gedaan voor NOC*NSF, het ministerie van VWS en de gemeente Amsterdam.

Van Kessel heeft onderzocht hoe sportruimte wordt gebruikt in de stad en wat dat betekent voor de toekomst. "We sporten steeds meer. Tussen nu en 2040 wordt twintig procent meer sportruimte gevraagd in de openbare ruimte, als we willen kunnen voldoen aan de ambitie van het Rijk dat in 2040 75 procent van de mensen aan de beweegrichtlijn voldoet."

Elke sport zijn eigen plek

Omdat er steeds meer mensen in de stad wonen, en we per persoon meer ruimte gebruiken dan ooit, is die ruimte schaars. In 1900 bestond een gemiddeld huishouden uit 4,5 personen. Een woning was gemiddeld 25 vierkante meter. Nu wonen gemiddeld 2,11 mensen op 120 vierkante meter. Tegelijkertijd hadden mensen in 1900 per persoon 1700 vierkante meter groen. Dat is teruggelopen tot 308 vierkante meter nu. "Rond 1900 werd het verenigingsleven belangrijker. Maar dat was heel informeel. Er waren weinig afgebakende plekken voor sport en spelen", zegt Van Kessel. Langzaamaan kwam de inkadering. Enerzijds door de komst van de auto, om de veiligheid en doorstroming te bevorderen. Anderzijds heeft de sport een enorme professionaliseringsslag gemaakt. Velden moeten voldoen aan bepaalde regels en afmetingen. Zo heeft elke sport zijn eigen plek en liggen al die gebruikers nu naast elkaar in de openbare ruimte. Van Kessel: "Dat vraagt om veel meer ruimte. Is dat wel nodig of kunnen we het gebruik op een aantal plekken weer gaan mengen?"

Sport vaak te laat bij integrale wijkontwikkeling

De enige manier om voldoende ruime voor sport en bewegen te krijgen, is om sport een integraal onderdeel van de ruimtelijke opgave te maken, zegt Van Kessel. Tot 1990 was dit vanzelfsprekend. Lokale grondpolitiek en kengetallen voor (sport)voorzieningen in combinatie met nationale financiële middelen zorgden tussen 1945 en 1990 voor een enorme groei van sport- en beweegruimte. In 1990 deed het marktdenken zijn intrede. De focus ging naar meer en grotere woningen. De kengetallen werden losgelaten, de verantwoordelijkheid hiervoor kwam bij gemeenten te liggen en de financiële regelingen richtten zich op sportdeelname en minder op ruimte voor sport en bewegen.

Inmiddels zijn de naoorlogse wijken, vooral die uit de jaren 50, 60 en 70, toe aan renovatie. Er komen veel opgaven samen, in beheer, onderhoud, riolering, vastgoed en groen. "Het lastige is dat al die opgaven verschillende snelheden hebben. Nu moet de riolering, over een paar jaar de school", zegt Van Kessel. Tel daarbij op dat elk project valt onder een ander beleidsterrein en wordt betaald uit een ander potje en het resultaat is versnippering. "Dat maakt integrale wijkontwikkeling veel moeilijker en je ziet in de praktijk dat sport en bewegen vaak te laat zijn."

"Sport en bewegen hebben ruimte nodig, maar leveren ook veel op voor de brede welvaart"

Wendy van Kessel - Kenniscentrum Sport & Bewegen

Beweegvriendelijke naoorlogse wijken

Toch zijn er verschillende procesroutes om ruimte voor sport en bewegen te borgen in de naoorlogse wijken. Dit kan via gebiedsontwikkelingen en herinrichtingsprojecten, via beheer- en vervangingsprojecten uit een meerjarenprogramma voor de openbare ruimte en via externe initiatieven van onder andere bewoners, maatschappelijke partijen en ontwikkelaars. Maar welke route het ook is, het is belangrijk dat sport aan de voorkant gaat meedenken. Van Kessel: “De grootste invloed ligt in de opstartfase van een project, tijdens de beleidsvorming, het initiatief, de verkenning en de opdrachtformulering. Betrokkenen uit de sport moeten zorgen dat ze dan aan tafel zitten. Ook als een project bij een andere afdeling van de gemeente zit.”

Van Kessel maakte in opdracht van het Kennisinstituut Sport en Bewegen een handreiking ‘beweegvriendelijke naoorlogse wijken’. Deze handreiking helpt gemeenten om beweegvriendelijkheid integraal mee te nemen in de renovatie van naoorlogse wijken. Zowel ruimtelijk ontwerp en fysieke ingrepen (hardware), als proces, samenwerking en organisatie (orgware) komen aan bod.

Foto onder: Shutterstock.com

Ruimte genoeg in landelijk gebied

Waar ruimte in de stad steeds schaarser wordt, kampen veel dorpen in landelijke gebieden met het tegenovergestelde. Ruimte genoeg, maar door vergrijzing en vertrekkende jongeren richting de stad, krimpt de bevolking. Voorzieningen sluiten omdat ze niet meer rendabel zijn. Ook sportverenigingen houden op te bestaan of fuseren met clubs in dorpen in de buurt, waardoor de afstanden tot sportgelegenheden steeds groter worden. Hoe geef je sport en bewegen een relevante plek in krimpende dorpen en landelijke gebieden? Rick Prins, onderzoeker Gezonde Leefomgeving bij het RIVM, nam de deelnemers mee in het beschikbare wetenschappelijke onderzoek. "Vooropgesteld, dat is er niet zoveel. We kijken veel naar stedelijk gebied, omdat daar veel meer mensen wonen. Het landelijk gebied met minder inwoners is lastiger te onderzoeken", zei hij. Toch heeft het RIVM een aantal studies gedaan en ook put Prins uit onderzoek in het buitenland en naar andere voorzieningen. Zijn conclusie: "Multifunctionele ontmoetingsplekken zijn onmisbaar." Niet alleen voor sport, maar voor de algehele leefbaarheid.

Betrokkenheid bij omgeving

Hij kijkt met een systeembril naar sport en bewegen. Verschillende omgevingsfactoren zijn van invloed op sport en bewegen en vice versa. "Je moet niet kijken naar de losse onderdelen, maar naar de gehele context. Het behoud van sport in landelijk gebied is een opgave, maar wel noodzakelijk. Niet alleen voor de sport zelf, maar ook voor sociale cohesie, sociale en fysieke veiligheid en betrokkenheid bij de omgeving."

Prins wijst naar een onderzoek uit Denemarken. Een ander land, maar redelijk vergelijkbaar met Nederland. De onderzoekers spraken er met inwoners van landelijk gebied. Het belangrijkste vinden zij de sociale contacten met andere bewoners. Die vinden plaats in de winkel, op de school en op het sportveld. “Mensen komen elkaar op meerdere plekken tegen, wat de sociale contacten enorm versterkt. Valt er een plek weg, dan is dat niet zomaar een sportveld of een school, maar een deel van de gemeenschap. Mensen moeten naar andere dorpen voor hun boodschappen, sport of school en daarmee is het nog lastiger om de overige voorzieningen in het dorp te houden.” Dat domino-effect moet voorkomen worden.

Sporthal als ontmoetingsplek

In Nederland noemt hij de casus van een sporthal in Tzummarum, een dorp van 1300 inwoners in Noord-West Friesland. De sporthal moest sluiten. “Maar die sporthal was veel meer dan een sporthal. Het was de ontmoetingsplek van het dorp. De waarde was veel groter dan alleen sport.” Amerikaans onderzoek laat zien dat zulke zogenaamde ‘gathering places’ het sportgedrag en de sociale cohesie enorm bevorderen.

Zo’n ‘gathering place’ kunnen we in Nederland een multifunctionele accommodatie noemen. Een plek waar sport, school, het buurthuis, de muziekvereniging en de kinderopvang samenkomen. Een plek waar ook de jaarlijkse braderie wordt georganiseerd en mensen voor allerlei dingen samenkomen. Een echte sociale en sportieve ontmoetingsplek. De stapeling van functies is veel belangrijker dan puur kijken naar het aantal vierkante meters voor sport, zegt Prins. Want het zijn juist de ontmoetingen die het sociale systeem in stand houden.

"Als je bewegen en gezondheid wilt bevorderen, moet je een sociale omgeving creëren"

Ontmoetingen leiden tot sociale controle. Dit vergroot de fysieke veiligheid in de omgeving. Prins: “Mensen kennen elkaar, houden een oogje in het zeil, kaarten het aan als een lantaarnpaal stuk is. Deze verbinding met elkaar en de omgeving leidt tot meer bewegen, blijkt uit onderzoek. Het is een cyclus. Als je bewegen en gezondheid wilt bevorderen, moet je een sociale omgeving creëren.”

Het mooie is dat de opbrengsten van investeringen in sport en bewegen niet alleen in sport en gezondheid zitten, maar ook in het sociale domein en veiligheid. Prins pleit daarom om integraal naar al deze vraagstukken te kijken. “Werk samen en pluk ook samen de vruchten. Durf samen te kiezen voor multifunctionele ontmoetingsplekken en investeer daarin!”