Met de presentatie van het coalitieakkoord ‘Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland’ hebben D66, VVD en CDA hun plannen voor de komende vier jaar gepresenteerd. De beoogd minister voor de portefeuille Langdurige Zorg, Jeugd en Sport is Mirjam Sterk (CDA). Een naam die in de sportwereld wellicht niet direct klinkt als een klok, maar na haar aantreden als gedeputeerde in de provincie Utrecht had zij wel korte tijd Sport in haar portefeuille. Dat de portefeuille Sport gecombineerd blijft met Jeugd en Langdurige Zorg biedt strategische kansen: de verbinding tussen sport, preventie en een focus op de jeugd ligt voor de hand. In dit artikel legt sporteconoom Willem de Boer (HAN) het coalitieakkoord langs de meetlat van de Brede Welvaart. Kijkt dit kabinet verder dan economische groei en ziet het sport als een intrinsieke waarde voor onder meer welzijn, gezondheid en sociale cohesie? En hoe verhoudt sport zich tot andere aspecten van brede welvaart in dit akkoord?
Wie het coalitieakkoord scant op de term ‘sport’, komt deze maar een paar keer tegen. Dat is niet vreemd; ook eerdere akkoorden liepen niet over van aandacht voor de sport. Wel is opmerkelijk dat sport telkens wordt gekoppeld aan andere beleidsdomeinen: gezondheid, duurzaamheid en onderwijs. Enerzijds betekent dit dat er weinig oog is voor sporten en bewegen an sich als waardevol onderdeel van de samenleving. Anderzijds biedt het mogelijkheden om sport meer te verbinden met andere beleidsterreinen, iets waar de sector en de ambtelijke wereld traditioneel mee lijken te worstelen.
"Sport wordt in dit akkoord vooral instrumenteel ingezet: om de zorg betaalbaar te houden, voor verduurzaming, als ontmoetingsplek"
Rond het thema gezondheid zet de coalitie in op "de gezondheid van kinderen en op het stimuleren van bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking". Sportstimulering wordt verder niet geconcretiseerd, wat een indicatie is dat de status quo – bijvoorbeeld ten aanzien van de Brede Regeling Combinatiefunctionarissen – voorlopig gehandhaafd blijft. Als uitvloeisel hiervan wil de coalitie meer investeren in de renovatie en verduurzaming van sportaccommodaties. Concreet wordt er structureel 50 miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor de BOSA. Dat is een ruime verdubbeling van de huidige pot (43,5 miljoen), die dit jaar ook al weer binnen enkele uren na openstelling overvraagd was. Naast sportaccommodaties wil het aankomende kabinet zorgen voor meer buitenspeelplekken. Het is positief dat de coalitie aandacht heeft voor de ‘hardware’ van sport, maar dat is slechts een klein deel van het domein.
Twee andere belangrijke aspecten zijn de vrijwilligers en verenigingen; hier is in het akkoord relatief veel oog voor. Voor beide moeten zowel de regeldruk als de wettelijke aansprakelijkheid beperkt worden. Dit geldt overigens ook voor evenementen. Hiermee worden belangrijke knelpunten geadresseerd die de sportsector kunnen helpen. Tegelijkertijd is het verlagen van regeldruk voor de overheid zelf vaak een weerbarstige opgave. Op korte termijn mogen we geen wonderen verwachten, maar de erkenning van het probleem is een goed begin. Aanvullend zien de partijen (sport)verenigingsgebouwen als een belangrijke plek voor ontmoeting, naast onder meer buurthuizen en dorpswinkels. Er komt een Gemeenschapsfonds om deze plekken te realiseren of te behouden. In dit geval wordt sport dus ingezet voor de sociale cohesie.
Tot slot wordt sport genoemd in verband met kansengelijkheid in het onderwijs. Met name mbo’ers moeten dezelfde rechten krijgen als hbo- en wo-studenten. Dit trekt de scheve verhouding recht en erkent sport als essentieel onderdeel van de studententijd voor iedereen.
Opvallend is dat het woord ‘voetbal’ (4 keer) vaker voorkomt dan ‘sport’ (3 keer), en dan vooral in repressieve zin. Zo moet er strenger worden opgetreden tegen discriminatie in het betaald voetbal, al blijft onduidelijk of de bal alleen bij de betaald voetbal organisaties (bvo’s) ligt of ook bij overheid, politie en justitie. Daarnaast komt er een ‘boetesysteem’ voor clubs wanneer politie-inzet tegen hooligans nodig is binnen het stadion. De verantwoordelijkheid wordt hier sterk bij de bvo’s gelegd, terwijl clubs en de KNVB al jaren aangeven juist hulp van het Rijk nodig te hebben om veroordeelde hooligans effectief te weren.
Ook komt er een volledig verbod op reclames voor online gokken. Dit kan directe impact hebben op de sponsorinkomsten van bvo’s, sportbonden en clubs, maar het komt niet als een verrassing. De Tweede Kamer kwam al snel na verruiming van de Kansspelwet tot het inzicht dat deze met te veel maatschappelijke nadelen gepaard ging.
Ondanks jarenlange discussies binnen de sector wordt er in het coalitieakkoord met geen woord gewijd aan een mogelijke Sportwet. Een wettelijke verankering, die gemeenten en Rijk zou kunnen dwingen tot een basistenue (of dwangbuis) aan voorzieningen en beleid, lijkt er op korte termijn dus niet te komen.
Als we uitzoomen, zien we ontwikkelingen die de sportwereld indirect maar stevig kunnen raken, zowel positief als negatief.
Het akkoord ademt de wens om zorgkosten te beteugelen. Er komt een suikertaks (per 2030), de leeftijd voor tabaksverkoop gaat naar 21 jaar en vapes worden aangepakt. De focus op preventie biedt ook enorme kansen voor de sportsector om zich te profileren als een belangrijk medicijn voor gezondheid en tegen de grote gezondheidsverschillen. Sport is bovendien geen kostenpost, maar een investering in de houdbaarheid van de zorg.
Aan de andere kant kiest het kabinet voor een versobering van de sociale zekerheid, onder andere door een kortere WW en strengere WIA. Hier wringt de schoen vanuit het oogpunt van brede welvaart. Het vergroot de inkomensonzekerheid aan de onderkant van de samenleving, terwijl financiële stress een van de grootste drempels is voor sportdeelname. De kloof tussen mensen die wel en niet sporten dreigt hierdoor te groeien.
Ook de focus op ‘meer werken’ en het verhogen van de AOW-leeftijd heeft een schaduwzijde. Iedereen moet langer doorwerken, vooral om onze materiële welvaart te verbeteren. Dit kan gemakkelijk ten koste gaan van gezondheid, vrije tijd en geluk. Dit geldt in het bijzonder voor mensen in zware beroepen, zoals de bouw of zorg, waardoor sociaaleconomische gezondheidsverschillen waarschijnlijk zullen toenemen. Bovendien vormen senioren en mensen met vrije tijd vaak de ruggengraat van het vrijwilligerskader. Als vrije tijd onder druk staat door de jacht op arbeidsproductiviteit, wie staat er dan straks nog achter de bar of op het veld als trainer?
"Er staat niet: 'een sportveldje erbij'. In de strijd om de vierkante meter dreigen speelveldjes en groenstroken het onderspit te delven"
De coalitie heeft daarnaast flinke ambities voor woningbouw: nieuwe wijken en steden moeten verrijzen. Hoewel er sprake is van een ‘totaalaanpak’ met aandacht voor groen, is de boodschap vooral ‘bouwen, bouwen, bouwen’, desnoods met een “straatje erbij, wijkje erbij”. Er staat niet: “een sportveldje erbij”. In de strijd om de vierkante meter dreigen speelveldjes en groenstroken het onderspit te delven, zeker nu procedures en bezwaarmogelijkheden worden ingekort. Daarmee komt de ruimte voor groen, bewegen en sport eerder in het gedrang dan tot bloei. Er ligt een grote uitdaging om niet alleen te wonen, maar te wonen in een prettige, gezonde en sociale omgeving – waar sport en bewegen op natuurlijke wijze onderdeel van uitmaken.
Kijkend naar het geheel ademt het coalitieakkoord de geest van de ‘oude economie’, een throwback to the nineties. Economische groei en materiële welvaart zijn leidend; welzijn en gezondheid worden gezien als afgeleiden daarvan. Het raamwerk van brede welvaart – waarbij gezondheid, leefomgeving en sociale cohesie gelijkwaardig zijn aan economie – is duidelijk niet het fundamentele vertrekpunt geweest. Sport wordt in dit akkoord dan ook vooral instrumenteel ingezet: om de zorg betaalbaar te houden, voor verduurzaming, als ontmoetingsplek. Er is geen aandacht voor de intrinsieke waarde van sport – het plezier, de ontspanning, de persoonlijke groei – net als voor kansengelijkheid binnen de sport. Tegelijkertijd biedt de instrumentele waarde van sport, mits goed aangetoond, juist kansen op méér aandacht van dit kabinet. Zeker als het gaat om preventie en het beperken van de zorguitgaven.
De nieuwe minister Mirjam Sterk wacht een uitdagende klus. Als gedeputeerde was zij ook betrokken bij de start van de Ronde van Spanje in Utrecht ‘La Vuelta Holanda’, waarbij ze onder de indruk was van de verbindende waarde van sport. Met een interessante portefeuille-combinatie en ervaring op een breed palet van beleidsterreinen kan ze nu mogelijk zelf een verbindende factor zijn voor de sport. Enkele suggesties voor haar om maar eens goed te beginnen:
Na de stoelendans van bewindslieden snakt de sector naar stabiliteit. Aan Mirjam Sterk de schone taak om te bewijzen dat sport in dit kabinet meer is dan een instrument voor de zorg of plek om te verduurzamen, maar een onmisbare hartslag van en voor een vitaal en welvarend Nederland in de volle breedte.
Willem de Boer is Associate Lector Maatschappelijke Waarde van Sport en Bewegen in het lectoraat Sport, bewegen en samenleving van de HAN. De Boer promoveerde in 2022 aan de Rijksuniversiteit Groningen op de rol van sportdeelname bij het verkleinen van gezondheidsverschillen. Lees meer over zijn promotieonderzoek in dit artikel.
Lees ook deze artikelen over hetzelfde onderzoeksgebied: