Sinds 1896 worden, oorlogssituaties en pandemieën daargelaten, iedere vier jaar Olympische Zomerspelen gehouden. In 1924 werden daar de Winterspelen aan toegevoegd. Het programma van beide evenementen staat ‘al eeuwen’ goeddeels vast. Waar atletiek, zwemmen, schaatsen en bobsleeën onlosmakelijk met de Olympische Spelen zijn verbonden, vechten andere sporten vaak decennialang voor een plekje op het olympische podium. Of ze proberen dat, soms honderd jaar na dato, terug te krijgen. Nu is, schijnbaar uit het niets, ski-mountaineering aan het programma toegevoegd. De Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging (NKBV) richtte er drie jaar geleden een heuse selectie voor op.
Bij de Winterspelen in Italië is één sport hagelnieuw: ski-mountaineering, oftewel skimo. Om de relatieve onbekendheid van die sport te benadrukken: skimo is de wedstrijdvariant van een sport die zich ook nog van twee andere namen bedient. Namelijk ski-alpinisme én – zoals we het in Nederland meestal nog noemen – toerskiën.
Er worden in Italië medailles verdeeld op drie onderdelen: de sprint bij zowel de mannen als de vrouwen en de gemengde estafette. Nederland probeerde zich met name via het estafette-onderdeel te plaatsen, maar slaagde niet in die opzet. Uiteindelijk gaan 18 mannen en 18 vrouwen van start in Bormio. Jens van Vliet en Nienke Oostra zullen, met hun begeleidingsteam, de wedstrijden als toeschouwer bekijken.
Van Vliet komt vanuit Innsbruck. Oostra woont in Saint-Gervais-Les-Bains,
vlakbij Chamonix. Dat de Nederlandse toppers over de grens wonen is
veelzeggend, daar is (meer) sneeuw en zijn de bergen (veel) hoger. Het maakte
het voor de NKBV logistiek niet eenvoudig een selectie op te zetten. Rogier
Wouters, zelf meervoudig Nederlands kampioen ski-mountaineering en tegenwoordig
hoofd sport bij de NKBV: "We moesten vanuit het niets iets opbouwen. Pas sinds
drie jaar hebben we een Nederlands team."
"We zouden dolgraag iemand op de Spelen krijgen, en daar zijn we bereid om voor te investeren"
Na de bekendmaking van de olympische status voor skimo moest veel worden geregeld. "Skimo is in Nederland een kleine sport, er zijn pakweg 150 wedstrijdsporters in ons land. In feite was ski-mountaineering lange tijd meer een activiteit dan een wedstrijdsport. Net als klimmen, dat ook bij onze bond is ondergebracht. De NKBV biedt bijvoorbeeld al sinds jaar en dag een reisprogramma aan, met onder meer toerskicursussen en huttentochten. Sinds een jaar of 15 is er wel een NK toerskiën, dat met medewerking van federaties uit andere Europese landen in de bergen wordt georganiseerd. "Doorgaans komen daar tussen de 25 tot 40 deelnemers op af. Een klein clubje dus, waarbij gezelligheid en meedoen altijd het belangrijkst was."
Door de olympische surprise werd de NKBV behoorlijk op zijn kop gezet. De oprichting van een selectie leidde tot meer kosten. "En extra zorgen, want je moet nadenken hoe je een en ander gaat financieren en regelen. Onze spaarpot wordt er in ieder geval niet voller van, je krijgt er een uitdaging bij. Een leuke uitdaging, dat wel. Want we zouden dolgraag iemand op de Spelen krijgen, en daar zijn we bereid om voor te investeren."
Hoewel de contacten van de NKBV met NOC*NSF zijn geïntensiveerd,
heeft dat niet tot extra financiële ondersteuning vanuit Papendal geleid.
Wouters: "Dat heeft natuurlijk ook met de prestaties te maken." Voor een andere
discipline is ondersteuning wel aanstaande. "Paraklimmen wordt in Los Angeles
paralympisch, daar hebben we een aantal atleten die bij de wereldtop horen." Mocht
ijsklimmen in 2030 olympisch worden, dan heeft de sport met Marianne van der
Steen ook daar een potentiële medaillekandidaat. Wouters: "We hebben inmiddels
de weg leren kennen bij NOC*NSF, weten onze mogelijkheden én beperkingen. En we
moeten ook reëel zijn. Onze mogelijkheden om sporters te faciliteren en te
ondersteunen zijn beperkt. Het is wat wij noemen een hilarische droom, we doen
wat we kunnen."
"In Nederland is er een ongelooflijke dichtheid aan klimhallen. Dat is een verschil met skimo, daarvoor moet je toch naar de Alpen"
Hij vervolgt: "Klimmen, de grootste wedstrijdsport binnen onze bond, is al langer een wedstrijdsport. We hebben ons daar weliswaar ook nog niet kunnen plaatsen voor de Spelen, maar zitten er wel iets dichter tegenaan. Het vizier is op LA 2028 gericht en we centraliseren volgend jaar de trainingen in een klimhal in Nieuwegein. Wedstrijdklimmen is een binnensport en dat heeft voordelen. In Nederland is er een ongelooflijke dichtheid aan klimhallen. Dat is een verschil met skimo, daarvoor moet je toch naar de Alpen."
Tijdens een eerste selectieweekeinde in de bergen werden vijf skimo-atleten geselecteerd die interesse hadden om het World Cup-circuit in te gaan. Jens van Vliet en Nienke Oostra besloten als koppel te proberen olympische kwalificatie af te dwingen. Dat dat niet lukte is niet zo verbazingwekkend. Wouters: "Het mondiale veld is gewoon te sterk. Als we ons vergelijken met de Alpenlanden, staan we daar eerlijk gezegd nog mijlenver vandaan. We hadden stiekem wel gehoopt een van de plekjes in de achterhoede te claimen, maar dat is onmogelijk gebleken. De komende jaren zullen we onze focus op de World Cups houden en hopen dat in 2030 skimo weer op het olympisch programma staat. Aangezien de sport in Frankrijk ook behoorlijk populair is, is daar best kans op."
De sport zal zich dus in Italië moeten bewijzen, zo werkt het tegenwoordig binnen de olympische familie. Sporten die een jonger publiek aanspreken genieten populariteit bij het IOC. Skimo kent vijf disciplines, alleen de kortste zijn door de selectie gekomen. De sprintrace is een individuele race, die pakweg 2,5 tot 3 minuten duurt. Bij de mixed-relay lossen de man en vrouw elkaar twee keer af, dat parcours is iets langer. Een ronde per atleet duurt tussen de 8 en 10 minuten, een hele relay 30 tot 40 minuten.
Deelnemers aan de sprintonderdelen gebruiken hun ski’s op verschillende manieren. Een groot deel van de tijd ‘rent’ de sporter omhoog, dan wel op zijn ski’s, dan wel met de ski’s aan een rugzak. Eenmaal boven worden de zogeheten ‘skins’ van de latten verwijderd en volgt een lastige, technische afdaling. Wouters: "Het is dus wel iets meer dan alleen maar omhoog rennen. Maar dat is wel een belangrijk onderdeel. Je bent van de 2,5 minuten ongeveer 2 minuten aan het rennen, deels op ski’s. Het aan en uittrekken van de ski’s zou je in theorie thuis kunnen oefenen, daarvoor hoef je niet per se in de sneeuw te zitten. Het is zaak dat die handelingen een automatisme worden. De afdaling, op heel dunne en lichte ski’s is best tricky. Dat vraagt, ook al is het maar een korte afdaling, behoorlijk wat behendigheid."
Dat juist deze ‘circusnummers’ olympisch geworden zijn, steekt wel een beetje onder toerskiërs. "Het staat ver weg van waarom mensen met deze sport begonnen zijn." De échte toerskiërs willen vooral, relatief licht bepakt, een hele dag op pad, de witte wereld verkennen. Daar is ook een afgeleide wedstrijdsportvariant van, de zogeheten individual. Na een massastart wordt een parkoers afgelegd met minimaal drie beklimmingen en technische afdalingen. Het parcours is doorgaans tussen de 10 en 20 kilometer lang en telt zo’n 2000 hoogtemeters aan klimmen en dalen. In de regel wordt een aantal stukken afgelegd met de ski's aan de rugzak. Deze wedstrijden duren minimaal anderhalf uur.
Bij het onderdeel ‘vertical’ krijgen deelnemers een klim van zo’n 500 tot 700 hoogtemeters voor de kiezen. Ze moeten gedurende een half uur met hun latten onder gas blijven geven, een enorme krachtsinspanning. Het olympische sprintparkoers is, met tussen de 60 en 80 hoogtemeters, veel minder lang. Door de transities, portages en de technische afdaling, is het vooral een spektakelstuk, mede omdat zes deelnemers tegelijk het parkoers afleggen.
Wouters: "In het verleden was vooral de indvidual populair. Die wedstrijden duurden anderhalf tot twee uur, soms waren er zelfs varianten waarbij de deelnemers tien uur onderweg waren. Er zijn ook teamraces, die soms dagen duren. Die onderdelen leverden olympisch gezien belemmeringen en beperkingen op, vanwege de duur en omdat er een ruimer terrein nodig is. Nu kan alles op dezelfde locatie en is direct duidelijk wie er wint. Het is heel kijkersvriendelijk, maar heeft nog maar weinig met onze oorspronkelijke sport te maken. Tot teleurstelling natuurlijk van de meer traditionele atleten, sporters van de lange adem. Aan de andere kant is er nu een generatie opgestaan die denkt: dit is mijn kans."
Beeld: NKBV
Dit artikel verscheen eerder in een uitgebreidere versie in vakblad Sport & Strategie (6-2025).