Eis KNVB amateurclubs om contractspelers in dienst te nemen is in strijd met mededingingsrecht

1 februari 2017 // KNVB // Door: Prof. mr. Marjan Olfers
Eis KNVB amateurclubs om contractspelers in dienst te nemen is in strijd met mededingingsrecht
De recente verplichting, via het licentiesysteem van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (hierna: KNVB), gericht op de amateurclubs om een bepaald aantal contractspelers tegen een bepaald loon in dienst te nemen, staat haaks op het amateurisme als doelvrije recreatieve activiteit. De verplichting staat echter ook in een gespannen relatie tot het mededingingsrecht. In dit artikel staan deze mededingingsrechtelijke aspecten centraal. Vanzelfsprekend zijn er ook verenigingsrechtelijke, arbeidsrechtelijke en bijvoorbeeld fiscale gevolgen, maar die laat ik in dit artikel buiten beschouwing.

Na een korte beschouwing van de amateursport en de bijzondere dimensie van de amateursport, wordt kort ingegaan op de wijziging van de structuur en de licentie-eisen. Daarna volgt een mededingingsrechtelijke analyse. Ik sluit af met een conclusie. 

De amateursport

De amateursport als onderdeel van de sportorganisatiestructuur, behoort tot de specifieke karakteristieken van sport.[i] Binnen de Europese Unie is bepaald dat de Europese inzet op sportgebied, rekening zal houden met haar specifieke kenmerken, haar op vrijwilligerswerk berustende structuren en haar sociale en educatieve functie, artikel 165 VWEU. In het witboek sport[ii] roemt de Europese Commissie de amateursport "sport is niet alleen goed voor de gezondheid van de Europeanen, maar heeft ook een educatieve, sociale, culturele en recreatieve dimensie". En "Teamvorming, beginselen zoals fair play, het naleven van de spelregels, respect voor anderen, solidariteit en discipline en de organisatie van amateursporten via non-profitclubs en vrijwilligerswerk bevorderen het actief burgerschap. Vrijwilligerswerk in sportorganisaties biedt veel mogelijkheden voor informeel onderwijs die moeten worden erkend en uitgebreid. Sport biedt jongeren de kans zich in te zetten in de maatschappij en kan mensen uit de criminaliteit houden". Volgens AG-Lenz, in het Bosman-arrest: "Er bestaan thans talrijke amateurclubs, waarin jeugd en volwassenen de mogelijkheid wordt geboden sportief bezig te zijn."[iii] AG-Lenz gaat er, net als de Europese Instellingen, van uit dat de amateursport een zinvolle vrijetijdsbesteding betreft en belangrijk is voor de maatschappij als zodanig.  

De amateurclubs streven dus, anders dan de betaald-voetbalclubs, geen economische belangen na.

Van Staveren gaat in zijn proefschrift uitvoerig in op de amateursport en wat  'amateurisme' in de sport betekent.[iv] Van de amateurcompetitie gaat een volledig andere dynamiek uit – dan van de betaald voetbal sport -. Het bijzondere karakter van de amateursport betreft de bevordering van sport als vorm van actieve recreatie. De amateurclubs streven dus, anders dan de betaald-voetbalclubs, geen economische belangen na. Het niet-betalen van spelers is dientengevolge onlosmakelijk verbonden met de amateursport. Veel amateurvoetbalclubs nemen dus geen contractspelers in dienst. Dit volgt overigens ook uit de statutaire doelen van veel clubs, zoals: "… het doen beoefenen en het bevorderen van de voetbalsport in al zijn verschijningsvormen, met uitzondering van de beroepsvoetbalsport".[v] 

Achtergrond nieuwe licentie-eisen: gewijzigde meer open competitiestructuur KNVB

De KNVB heeft bij besluit het licentiesysteem van de clubs gewijzigd. De Verenigingsraad van het amateurvoetbal stemde 26 november 2014 en de Bondsraad op 2 december 2014 in met een gewijzigde competitiestructuur. Met ingang van het seizoen 2016/2017 is tussen de Jupiler League en de Topklasse een nieuwe Tweede Divisie ingevoerd. Binnen de nieuwe competitiestructuur is het mogelijk om op ieder competitieniveau te degraderen en te promoveren. Er is een meer open-competitiesysteem ontstaan. De indruk kan ontstaan dat voor de wijziging van de competitiestructuur, een volledig gesloten competitiesysteem bestond. Dit is onjuist. Uit de zaak AGOVV in 2006 blijkt dat AGOVV als amateurclub kon toetreden tot het betaald-voetbal. KNVB stelde destijds als één van de eisen dat een club voor toetreding in de betaald-voetbal diende uit te komen in de hoogste klassen in het amateurvoetbal.[vi] Ook andere clubs traden in het verleden toe tot de betaald-voetbal competitie.[vii] Van een volledig 'gesloten competitiesysteem' was dus geen sprake. Wel moest de club voor toetreding aan bepaalde objectieve, transparante en non-discriminatoire eisen voldoen.[viii] 


Overzicht structuur KNVB[ix]

Licentie-eisen: verplicht aanstellen bepaald aantal contractspelers door amateurclubs

Een belangrijk onderdeel van de nieuwe competitie vormen de gewijzigde licentie-eisen voor deelname aan de competitie. Een van de verenigingsrechtelijke afspraken betreft dat clubs in de Topklasse, Tweede Divisie en Jupiler League een verplicht aantal contractspelers in dienst moeten nemen.[x] Zo zal een club bij promotie van de Tweede Divisie naar de Jupiler League in het eerste seizoen tien contractspelers tegen 50 procent van het minimumloon dienen aan te stellen en zes contractspelers voor minimaal 100 procent van het minimumloon. Dit loopt op naar het vierde seizoen, waarbij uiteindelijk de club zestien contractspelers tegen het minimumloon in dienst moet nemen. Vergelijkbare regels gelden van de topklasse naar de Tweede Divisie. In het eerste seizoen gaat het dan om acht contractspelers met een contract van minimaal twaalf uur per week tegen 100 procent van het minimumloon en in het tweede seizoen om dertien contractspelers tegen 100 procent minimumloon. Bij promotie naar de Topklasse gaat het in het eerste seizoen om drie contractspelers en in het tweede seizoen om zes contractspelers tegen minimumloon. 

Voor de invoering van deze licentie-eisen legde de KNVB geen eisen op aan de amateurclubs, op het gebied van het aanstellen van contractspelers. Veel amateurvoetbalclubs nemen geen spelers in dienst, gelet op de statutaire doelomschrijving van deze amateurclubs.[xi]

Mededingingsaspecten

Het mededingingsrecht regelt, onder meer, dat alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle besluiten van een ondernemingsvereniging, welke de handel tussen de Lidstaten ongunstig beďnvloeden en ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd beperkt of vervalst, verboden zijn. Het verbod staat in art. 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) maar is ook verboden onder art. 6 Mededingingswet (Mw): "Verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst." Het uitgangspunt van de Nederlandse wetgever is geweest, de Nederlandse mededingingswetgeving nauw aan te laten sluiten bij de mededingingsregels van de Europese Unie. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever dat de Mededingingswet niet strenger en niet soepeler is dan de EU-mededingingsregels.

Toepassingsbereik

Voor de toepassing van het mededingingsrecht moet aan een aantal criteria worden voldaan. Er moet sprake zijn van een besluit van een ondernemingsvereniging en het besluit zal de mededinging moeten beperken.  

KNVB: Besluit van een Ondernemingsvereniging?

Europese Instellingen hebben al vroeg in de ontwikkeling van het Europese recht, sportbonden als ondernemingsvereniging gedefinieerd.[xii] Hoewel sportbonden sportieve activiteiten uitvoeren, voeren sportbonden, zoals de KNVB, ook economische activiteiten uit, denk bijvoorbeeld aan het sluiten van sponsorovereenkomsten. De Europese Commissie oordeelt: 'De UEFA, de nationale bonden en de daarbij aangesloten voetbalclubs zijn derhalve ondernemingen in de zin van artikel 81 lid 1 van het EG-Verdrag en artikel 53, lid 1 van de EER-overeenkomst, niettegenstaande het feit dat sommige geen winstoogmerk hebben.'[xiii] Kortom: De KNVB is een ondernemingsvereniging en valt onder het bereik van de mededingingswetten. Veel clubs zijn overigens ook te definiëren als 'ondernemingen' in de zin van 6 Mw, aangezien zij diensten tegen beloning aanbieden op een bepaalde markt, bijvoorbeeld de sponsormarkt, en zij hun werkzaamheid als ten opzichte van de KNVB als onafhankelijke marktdeelnemers verrichten, omdat zij het eigen financiële en commerciële risico dragen.[xiv] Amateurclubs dienen echter, anders dan de betaald voetbal clubs, met de inkomsten die zij op de markt verdienen, de actieve recreatie te bevorderen.  

De KNVB heeft als ondernemingsvereniging het onderhavig besluit in de ledenraad genomen –verplichting X aantal contractspelers tegen minimumloon -. Dit is een verenigingsrechtelijk besluit van de ondernemingsvereniging/KNVB en valt dus onder het toepassingsbereik van de mededingingsregelgeving.  

Mededingingsbeperking?

Het besluit tot het vaststellen van het in dienst nemen van een X aantal werknemers tegen een bepaalde prijs (contractspelers), betreft  een minimumprijsafspraak over arbeid. De voornoemde afspraak strekt ertoe de concurrentie tussen de clubs te beperken. Clubs zijn, zoals gezegd, niet langer vrij met elkaar te concurreren, omdat het aantal spelers en de prijs die voor de arbeid minimaal betaald moet worden al vast ligt. De clubs worden dus beperkt in de mogelijkheden om sporters aan zich te binden, op de wijze en tegen de prijs die de clubs zelf daarvoor over hebben. Ofwel er komt door het besluit een eenvormig mechanisme tot stand dat in de plaats komt van het normale stelsel van vraag en aanbod.[xv]

Er kan in beginsel vanuit gegaan worden gegaan dat het besluit ook merkbaar de concurrentie belemmert.

Zonder de licentieregels kunnen de clubs wel vrijelijk met elkaar concurreren en is ook een speler vrij om te kiezen. De speler zal kiezen voor de club die hem de beste voorwaarden biedt, dit hoeft niet noodzakelijkerwijs een spelerscontract te zijn. Het komt ook voor dat een speler in dienst treedt bij een sponsor van de club en tussen sponsor en speler afspraken worden gemaakt over deelname aan trainingen en wedstrijden. 
Over de betrokken markt merk ik verder op dat het dus gaat om de spelersmarkt. Er kan in beginsel vanuit gegaan worden gegaan dat het besluit ook merkbaar de concurrentie belemmert. Alleen indien de betrokken gedragingen wegens de zwakke positie van partijen op de betrokken markt, de markt slechts in zeer geringe mate kunnen beďnvloeden, ontkomen zij aan het verbod van de mededingingswetten. Dit is hier niet het geval. In de onderhavige zaak is, gelet op de dominante positie van de KNVB op de markt, en de veelheid aan clubs die zijn aangesloten bij de KNVB en door het besluit worden geraakt, duidelijk dat het besluit de mededinging (potentieel) merkbaar beperkt. Zonder het besluit van de KNVB, ontwikkelt de concurrentie op de spelersmarkt zich dus op een totaal andere wijze. 

Licentieregels gerechtvaardigd vanwege zuiver sportieve doelen?

Het Hof van Justitie EU heeft meerdere keren geoordeeld dat in de Verdragsbepalingen neergelegde verboden niet gelden voor de regels betreffende vraagstukken die alleen verband houden met de sport en zuiver sportieve doelen. Naast anti-dopingregels die noodzakelijk zijn voor een eerlijke verloop van de competitie[xvi] is niveauselectie op basis van sportieve prestaties volgens het Hof van Justitie EU noodzakelijk voor legitieme sportieve doeleinden en is verbonden met het specifieke karakter van de sport.[xvii] Een "geordend en regelmatig verloop van de competitie" is eveneens een door het Hof van Justitie EU erkend legitiem doel, wanneer het gaat om transfertermijnen.[xviii]

Iedere regel binnen het licentiesysteem, moet afzonderlijk worden beoordeeld. Het verplicht stellen van een trainerslicentie als onderdeel van het licentiesysteem is in beginsel geoorloofd, zie bijvoorbeeld de zaak eisers tegen Nederlandse Golffederatie, omdat een dergelijke regeling bijdraagt aan de kwaliteit van de dienstverlening.[xix] Ook technische- en veiligheidseisen binnen een licentiesysteem zijn geoorloofd vanwege een verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening.[xx] Een jeugdopleidingsprogramma vindt vanuit mededingingsrechtelijke optiek rechtvaardiging in de opleiding van jonge spelers[xxi]

Nu vast staat dat sprake is van een mededingingsbeperking, is het vervolgens de vraag of de litigieuze licentieregels gerechtvaardigd zijn omdat deze regels noodzakelijk, geschikt en evenredig zijn om zuiver sportieve doelen te bereiken.[xxii] Centraal staat dat bij de toepassing van het kartelverbod op een concreet geval in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de algehele con­text waarbinnen het betrokken besluit van de ondernemersvereniging is geno­men of zijn werking ontplooit. Vervolgens moet worden onderzocht, of de daaruit voortvloeiende beperkende gevolgen voor de mededin­ging inherent zijn aan deze doeleinden en of zij evenredig zijn aan deze doel­einden. Het gaat er dus om het sportieve doel vast te stellen en vervolgens - indien sprake is van een zuiver sportief doel - na te gaan of de litigieuze regel noodzakelijk, geschikt en evenredig is om dit doel te bereiken.  

Zaak ACM/AGOVV

In de zaak ACM/AGOVV, ging het om een klacht van voetbalclub AGOVV.[xxiii] AGOVV stelde zich in deze zaak op het standpunt dat de KNVB in strijd handelde met artikel 6 en 24 van de Mededingingswet. AGOVV klaagde over a) het entreegeld dat KNVB eiste voor toetreding in de betaald-voetbal-competitie en beklaagde zich daarnaast over het sportieve criterium dat b) de club in een afdeling van de hoogste klasse van het amateurvoetbal moet uitkomen om toe te treden tot de Eerste Divisie in het betaald-voetbal. Iedere licentie-eis (dus a en b) wordt door De Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) beoordeelt op de eigen merites.[xxiv] 

Ad a) Bij de toelatingsregeling in de zaak AGOVV ging het om de betaling van een entree-bedrag. ACM eiste van de KNVB de regeling aan te passen zodat de regeling voldeed aan de criteria: objectief, transparant en non-discriminatoir.
Ad b) Het ging in de zaak AGOVV ook om een sportief criterium van de KNVB: De KNVB stelde destijds dat "een potentiële toetreder tot de eerste divisie in een afdeling van de hoogste klasse van het amateurvoetbal moet uitkomen."[xxv] Daarover stelt de ACM, onder verwijzing naar de zaak Meca Medina[xxvi]: "Van een criterium gebaseerd op sportieve gronden is sprake als dit zich richt op het belang van een zekere mate van gelijkheid in krachtsverhoudingen binnen de sportcompetitie om zo de onzekerheid omtrent het sportieve resultaat te behouden." De ACM vervolgt: "het criterium [de eis om in de hoogste klasse van het amateurvoetbal uit te komen] dat de KNVB stelt richt zich op dit belang, aangezien de hoogste klassen het meest aansluiten bij dat van de Eerste Divisie. Dit criterium vormt bovendien geen verkapte mededingingsrechtelijke toetredingsbarričre omdat elke club de hoogste klasse van het amateurvoetbal kan bereiken door middel van sportieve prestaties en daarna in principe kan toetreden. Nu sprake is van een criterium dat louter gebaseerd is op sportieve gronden speelt het mededingingsrecht geen rol." 
Ofwel het in 2006 meer gesloten-competitiesysteem, was niet in strijd met het mededingingsrecht. 

Licentieregels KNVB en sportieve doeleinden?

Een promotie- en degradatie systeem vindt een grondslag in de eigenheid van sport, waaronder het aanwijzen van een winnaar uit een zo gelijk mogelijk speelveld.[xxvii] Het licentiesysteem in de betaald-voetbalsport in Nederland, waarbij financiële eisen worden gesteld aan de clubs, vindt historisch gezien in de betaald-voetbalsport een grondslag in de eerlijke krachtmeting en de wens dat clubs niet vroegtijdig de competitie verlaten, bijvoorbeeld vanwege een hoge schuldenlast.[xxviii] Het aantal clubs dat aan de competitie begint moet hetzelfde zijn na afloop van de competitie. De doelstelling van het licentiesysteem in het betaald-voetbal is volgens de uitleg van de KNVB: "het waarborgen van de continuďteit (en eerlijk verloop) van de competities".[xxix] 

De regel die voorschrijft dat clubs een bepaald aantal contractspelers in dienst moeten nemen tegen een zeker loon, is niet noodzakelijk voor het evenwicht om de onzekerheid omtrent het resultaat te behouden. Ook zonder een dergelijke regel is de onzekerheid van het resultaat geborgd. 

Ik wijs er op dat de overgang van een club naar de betaald-voetbalclubs ook in het verleden geen onverdeeld succes was.
 
De regel brengt mogelijk juist de continuďteit van de competitie in gevaar. Financiële stabiliteit is immers belangrijk voor het goed en geordend verloop van de competitie en het streven naar het aanwijzen van een winnaar uit het speelveld, zodat clubs aan het begin van de competitie ook het speelseizoen kunnen eindigen. Het risico bestaat dat amateurclubs, die niet over voldoende middelen beschikken, in de financiële problemen raken en voortijdig de competitie verlaten vanwege een faillissement. Dit is onwenselijk vanuit sportief oogpunt. Ik wijs er op dat de overgang van een club naar de betaald-voetbalclubs ook in het verleden geen onverdeeld succes was. De clubs slaagden er niet in om de economische bestaanbaarheid als primair belang van de betaald-voetbalsport te verwezenlijken.[xxx] RBC werd bijvoorbeeld in 2011 failliet verklaard en AGOVV in 2013.  

Bovendien zijn er mogelijk effectievere middelen, die minder mededingingsbeperkend zijn. Zo wijst A-G Lenz op de verdeling van inkomsten als een doelmatig en redelijk alternatief om een gewenst evenwicht te bereiken tussen de clubs.[xxxi] De KNVB kan ernaar streven inkomsten onder de amateurclubs te verdelen, die vervolgens meer geld te besteden hebben om sportieve doelen te realiseren. 

Doorstroming?

Verder is wel door de KNVB betoogd dat de licentie-eisen beogen het sportieve niveau en de professionaliteit van de clubs te doen aansluiten bij de divisies waarnaar de clubs kunnen promoveren en degraderen, zodat doorstroming ontstaat. Ik merk op dat daarvoor voorwaardelijk is dat de clubs economisch overeind blijven, en verwijs terug naar de vorige paragraaf. 

Daarnaast merk ik op dat oefening en training niet zijn voorbehouden aan de betaald-voetbal sport. Een amateursporter heeft een lidmaatschapsrelatie met de club en kan gesanctioneerd worden wanneer de sporter niet voldoet aan de eisen die uit dit lidmaatschap volgen. De voetballer loopt het risico van niet-selectie en dus van niet-deelname. Daar is geen contractuele arbeidsrechtelijke relatie voor nodig. Niet valt in te zien waarom een niet-contract-speler zich op dit hoge niveau niet inzet en dit slechts gaat doen wanneer hij daartoe arbeidsrechtelijk verplicht is. Bijzonder is ook dat de licentie-regel –het betalen van spelers- niet opgaat voor alle spelers en toch echt elf spelers nodig zijn om tot een teamprestatie te komen. Wanneer de club op een later moment degradeert naar een lagere competitie heeft de club nog steeds een X-aantal contractspelers. 

Als het aantal trainingsuren al bepalend is om een bepaald professioneel niveau te halen, dan kan de KNVB volstaan met de regel dat clubs aan de spelers minimaal een X aantal uur training dienen aan te bieden. Wanneer een speler zich vervolgens niet inzet volstaan, zoals eerder gezegd, verenigingsrechtelijke maatregelen.[xxxii]

Kortom: elke club die de hoogste klasse van het amateurvoetbal kan bereiken door middel van sportieve prestaties kan daarna – ook zonder een dergelijke licentieregel - in principe toetreden, zo oordeelde de ACM in de zaak AGOVV. Dat daartoe een bepaald aantal contractspelers noodzakelijk is, is onjuist. Bovendien zijn er andere, minder beperkende verenigingsrechtelijke maatregelen, die ter beschikking staan om de doorstroming te vereenvoudigen. 

CAO exceptie?

De licentie-eisen vormen geen onderdeel van een CAO. Een CAO is een overeenkomst waarbij een of meer werkgeversvereniging(en) en een vakbond voornamelijk arbeidsvoorwaarden regelen zoals die tussen partijen moeten gelden. Afspraken binnen een cao kunnen dus – per definitie - concurrentiebeperkend zijn.[xxxiii] Het Mededingingsrecht kent een cao-exceptie. Het zou immers tot onoverkomelijke bezwaren leiden wanneer de sociale partners bij hun gezamenlijke inspanning de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, zich aan de Mededingingswetten moeten houden.[xxxiv] 

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geldt een cao-exceptie: inhoudende dat de in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners gesloten overeenkomsten, bedoeld ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden, wegens hun aard en doel moeten worden geacht buiten de werkingssfeer van art. 85 lid 1 EG-Verdrag (thans art. 101 VWEU) te vallen. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt verder dat in de cao opgenomen afspraken aan twee cumulatieve voorwaarden dienen te voldoen, wil de cao-exceptie van toepassing zijn. 1) Een dergelijke afspraak dient te zijn voortgekomen uit de sociale dialoog en te zijn afgesloten als collectieve overeenkomst tussen werkgevers- en werknemersorganisaties én 2) dient rechtstreeks bij te dragen aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van werknemers.[xxxv] 

De KNVB treedt in het onderhavig geval niet op als sociale partner maar als ondernemingsvereniging. Ondernemingsverenigingen vallen onder het mededingingsrecht, zo werd hiervoor al duidelijk. Nu geen sprake is van een cao in de amateursport waarvan de licentieregels een onderdeel uitmaken, gaat de cao-exceptie in deze casus in ieder geval niet op.  

Tegengaan van 'zwarte betalingen' 

Zelfs als de afspraak een onderdeel vormt van de cao-onderhandelingen, is het vraag of de licentieregel stand kan houden. Ik merk dienaangaande op dat kan worden opgeworpen dat de regel het onderbieden van clubs tegengaat. Of voorkomt dat clubs 'zwart' uit betalen. Het tegengaan van 'zwart' betalen door 'concurrerende' clubs is echter naar mijn mening, in de lijn van de uitspraak van de rechtbank, een "indirecte en niet als een door het HvJEU vereiste rechtstreekse verbetering van de arbeidsvoorwaarden van werknemers". Dit naar analogie van de uitspraak van het Hof Den Haag in de zaak FNV tegen de staat van 9 juli 2013 waar het ging om een cao waarin minimumtarieven werden voorgeschreven voor  remplacanten.[xxxvi] 

Conclusie

De regel cq. eis – een bepaald aantal contractspelers tegen een bepaald loon in dienst te nemen - van de KNVB, betreft een besluit van een ondernemingsvereniging en beperkt de mededinging. De regel is economisch van aard, doel en effect. De regel betreft de spelersmarkt en is niet voortgekomen uit cao-onderhandelingen. De regel is niet noodzakelijk, geschikt en evenredig ter realisatie van zuiver sportieve doelen. Bovendien zijn er geschikte minder beperkende alternatieven, om de doelen te bereiken. 


Marjan Olfers is hoogleraar sport en recht aan de Vrije Universiteit, Amsterdam. Delen uit dit artikel zijn eerder verschenen in een opinie die in opdracht van de Belangen Vereniging Amateurvoetbal (BAV) is verschenen. Marjan Olfers is de onafhankelijk adviseur van de BAV. In de opinie is duidelijk aangegeven dat delen van de opinie in publicaties gebruikt kunnen worden en dat voor de opinie is betaald. Delen van deze opinie zijn in dit artikel overgenomen. De voornoemde opinie is niet gepubliceerd. De opinie is opgesteld nadat Marjan Olfers in de media (oa. via een column) zich had uitgelaten over strijdigheid met het mededingingsrecht. Marjan Olfers heeft de KNVB voorafgaand aan het opstellen van de opinie op de hoogte gesteld over de juridische knelpunten, die na onderzoek naar boven zijn gekomen. Later heeft met de KNVB nog een gesprek plaatsgevonden waarin een nadere toelichting is gegeven op de juridische knelpunten. Het thema sluit aan op haar proefschrift, Sport en mededingingsrecht, uitgegeven door Kluwer, 2008. 


[i] Par. 4.1 Witboek - Witboek sport {SEC(2007) 932} {SEC(2007) 934} {SEC(2007) 935} {SEC(2007) 936} /* COM/2007/0391 def. */
[ii] Europese Commissie: Witboek - Witboek sport {SEC(2007) 932} {SEC(2007) 934} {SEC(2007) 935} {SEC(2007) 936} /* COM/2007/0391 def. */
[iii]Conclusie AG Lenz, 20 september 1995, HvJEG 15 december 1995, Zaak C-415/93, Bosman, Jur. 1995, I-4921, onder punt 219
[iv] Het voetbalcontract, Kluwer: Deventer, 1980
[v] Zie bijvoorbeeld de statuten van Odin59, http://www.odin59.nl/Data/Odin59/Modules/TekstPagina/Front/bestanden/_specifiek/M_639/HSV_ODIN_59_statuten.pdf
[vi] Het begrip amateurisme is geen juridisch begrip. In dit artikel wordt onder amateurisme verstaan, clubs die geen arbeidsrelatie onderhouden met spelers. W.E. Haak, De beroepsvoetballer, Nederlandse vereniging voor rechtsvergelijking, no 9, Deventer: Kluwer, 1972, p. 6.
[vii]Besluit op klacht AGOVV over toetredingsregeling KNVB, 31-01-2006, ACM
[viii]Dat de toetreding naar het betaald voetbal in het verleden ook niet alleen AGOVV betrof, blijkt ook uit de geschiedenis. RBC trad in 1983/84 toe tot het betaald voetbal, RKC in 1984/85, AGOVV in 2004, Top Oss in 2010/11, in 2013/14  Achilles ’29 en ook Katwijk werd deze mogelijkheid geboden. Katwijk maakte echter geen gebruik van dit aanbod.
[ix] Plaatje afkomstig van de van website KNVB
[x] Contractspeler volgens het licentiereglement amateurvoetbal: Een natuurlijk persoon van 16 jaar of ouder, die met een club of met een gelieerde stichting, een door het bestuur amateurvoetbal of het bestuur betaald voetbal geregistreerde arbeidsovereenkomst heeft afgesloten, krachtens welke hij een geldelijke vergoeding ontvangt voor zijn deelname aan wedstrijden en/of trainingen. De omvang van een geregistreerde arbeidsovereenkomst in het amateurvoetbal zal ten minste 12 uur per week bedragen.
[xi] Zie bijvoorbeeld de statuten van Odin59, http://www.odin59.nl/Data/Odin59/Modules/TekstPagina/Front/bestanden/_specifiek/M_639/HSV_ODIN_59_statuten.pdf Dit maakt het Hof van Justitie onder andere duidelijk in de zaak Albany (arrest van 21 september 1999, C-67/96) onder 59 en 60 en Pavlov (arrest van 12 september 2000, C-180/98) onder 67 en verder in de arresten Brentjes (C-115/97-C-117/97) en Drijvende Bokken (C-219/97) en Van der Woude (C-222-98)
[xii] Zie bijvoorbeeld: Beschikking van de Commissie, 27 oktober 1992, PbEG L 326, p. 31. Scottish football Association, GvEA 9 november 1994, zaak T-46/92 Jur. 1994, p. II-1039. Beslissing van de Europese Commissie van 20/7/1999, in de zaak IV/36.888-Wereld Kampioenschappen voetbal in Frankrijk 1998, Abl.L0005/55, 8.1.2000
[xiii] Beschikking van de Commissie van 23 juli 2007, UEFA Championsleague, COMP/C.2-37.398, onder punt 107, p. 30
[xiv]Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio, EU:C:2006:784, punten 43 en 44. Het gaat bij de vaststelling of een club een onderneming is,  overigens niet om de omvang van de economische activiteiten noch om het economisch succes van de club, noch om het oogmerk van de club. Ook een club zonder winstoogmerk die in financiële moeilijkheden is geraakt kan, indien zij economische activiteiten ontplooit, worden aangemerkt als ‘onderneming’.
[xv]AG Lenz, 20 september 1995, HvJEG 15 december 1995, Zaak C-415/93, Bosman, Jur. 1995, I-4921
[xvi]Meca Medina [HvJEU, 18 juli 2006, Meca/Medina, zaak C-519/04], behandel ik uitgebreid in mijn proefschrift [M.Olfers, Sport en Mededingingsrecht, Deventer: Kluwer, 2008, p. 316 en verder]
[xvii] HvJEU 11 april 2000, C-51/96, Deliege, Jur. 2000, p. I-02459
[xviii] zaak Lehtonen, Zaak C-176/96 Lehtonen, Jur. P. I-2681
[xix] Rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2004:AS9177, 30 december 2004, Eisers tegen Nederlandse Golffederatie
[xx] Europese Commissie, FIA IV/F-1/35.266
[xxi] naar analogie Zaak C-415/93 Bosman, Jur 1995, I-4921
[xxii]Meca Medina [HvJEU, 18 juli 2006, Meca/Medina, zaak C-519/04], behandel ik uitgebreid in mijn proefschrift [M.Olfers, Sport en Mededingingsrecht, Deventer: Kluwer, 2008, p. 316 en verder]
[xxiii]Besluit op klacht AGOVV over toetredingsregeling KNVB, 31-01-2006, ACM
[xxiv]Besluit op klacht AGOVV over toetredingsregeling KNVB, 31-01-2006 en zie M.Olfers, Sport en Mededingingsrecht, Deventer: Kluwer, 2008, p. 313het moet gaan om doelen die verenigbaar zijn met het mededingingsrecht … Omdat het hier meestal gaat om een complex aan regelingen moeten voor iedere bepaling de voor- en nadelige mededingingseffecten worden bekeken
[xxv][overweging p. 6 van het Besluit].
[xxvi] HvJEU, 18 juli 2006, Meca/Medina, zaak C-519/04
[xxvii]M.Olfers, Sport en Mededingingsrecht, Deventer: Kluwer, 2008, p.24
[xxviii]M.Olfers, Sport en Mededingingsrecht, Deventer: Kluwer, 2008, p. 306
[xxix]http://downloadcentrum.knvb.nl/sportlink/knvb/document/uitleg%20licentiesysteem%20knvb%20-%20samenvatting.pdf?id=81665
[xxx] Van Staveren, Het voetbalcontract, Kluwer: Deventer, 1980, p. 163
[xxxi]conclusie AG Lenz, 20 september 1995, HvJEG 15 december 1995, Zaak C-415/93, Bosman, Jur. 1995, I-4921, onder 228 en 229
[xxxii]Ik wijs daarnaast op de enorme verschillen tussen salarissen in de Eredivisie en de Jupiler league. Het inkomensgemiddelde in de Eredivisie van spelers 18/19 jaar betreft: 207.000,00 euro voor spelers van 20 jaar en ouder 414.000,00 [Inkomenscriterium  UWV 2014/2015]. Een speler uit de Jupiler league zit op een modaal inkomen van ongeveer 30.000 Euro. Er bestaat dus alleen al binnen het betaald-voetbal een enorme ongelijkheid. Die ongelijkheid kan dus, naar analogie van de KNVB, worden opgeheven door als KNVB van de Jupiler-clubs te eisen dat zij een X-aantal spelers voor een minimaal bedrag, bijvoorbeeld 150.000, in dienst moeten nemen.
[xxxiii]Artikel 1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt dat onder een  collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst, aangegaan door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers en een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, waarbij voornamelijk of uitsluitend worden geregeld arbeidsvoorwaarden, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen.
[xxxiv]zie arresten Albany, EU:C:1999:430 punt 59; International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union, C-438/05, EU:C:2007:772, punt 49, alsook 3F/Commissie, C-319/07 P, EU:C:2009:435, punt 50
[xxxv] In de rechtsgeleerde literatuur is wel betoogd dat de exceptie alleen op dient te gaan als het gaat om de harde kern van de cao-afspraken (A.T.J.M. Jacobs, ‘Grenzen aan de regelingsmacht van cao-partijen), pre-advies voor de Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking, Deventer: Kluwer 1982, p. 50). Hieruit volgt dat steeds moet worden nagegaan of de afspraken naar aard en doel buiten de mededingingsregels kunnen vallen. Zie ook de zaak Van der Woude (arrest van 21 september 2000, C-222/98).
[xxxvi]http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2013:5381
 

Verplicht Verplicht
Verplicht


Verplicht

Reload Image
  • loek Jorritsma
    De Mededingingswet- en regelgeving is voor de sport niet nieuw. Al in 1999 wees VWS in de nota Kansen voor Topsport op pagina 19 al over de verkoop van de uitzendrechten van de KNVB als centraal verkoopkantoor en de consequenties daarvan. Ook de staatssteunproblematiek op Europees niveau is bij het betaald voetbal maar al te bekend. En, zoals Marjan hier schitterend onderbouwd aangeeft, ook besluiten van sportorganisaties zoals deze zijn onderworpen aan het Mededingingsbeleid. Maar laten we niet blijven steken bij het voetbal. Laten we de omschrijving van de EC inzake de speciale plaats van de sport, gelet op de genoemde specifieke kenmerken, in het beleid op al zijn consequenties doordenken. En stellen dat elementen in de sport die NIET aan deze kenmerken voldoen, dus NIET in aanmerking komen voor een uitzondering op de mededingingsregels. Dus wanneer sportorganisaties worden gerund als een zakelijk bedrijf en niet als een vereniging; als (top)sportevenementen vooral voor zakelijke doeleinden worden georganiseerd; wanneer (top)sportopleidingen niet door de bond maar door zakelijke ondernemingen; wanneer de transitie in de sport vooral is gericht op vergroten van het marktaandeel; wanneer sportbeoefening alleen als gezondheidsproduct wordt genuttigd en wanneer de opbrengsten van de uitzendrechten vooral aan de aandeelhouders ten goede komen? Als we als sport met de huidige antwoorden op die vragen de evaluatie van de Wet Markt & Overheid tegemoet treden, dan verwacht ik weinig souplesse. Bedenk dat de Algemene Groepsvrijstelling van de EC (zie onderdeel 74) van 26 juni 2014, ook deze specifieke kenmerken van de sport als uitgangspunt neemt. En dan komt tot alleen de sportinfrastructuur. De Autoriteit Consument en Markt kan hiervan niet al te veel afwijken en zal dat ook niet willen. De Nederlandse Sportraad zou zich hierover kunnen buigen en met een doorwrocht advies moeten kunnen komen. Marjan Olfers zou hen daar uitstekend behulpzaam bij kunnen zijn.
    Reactie geplaatst op 02/02/17 om 11:08 uur

Laatste nieuws

23 november 2017
De internationale sportweek van S&S: Gezonde voeding centraal op Spotlight Night
Pijl
De Sacramento Kings zijn het basketballseizoen niet goed begonnen als hekkensluiter van de...
23 november 2017 // Buitenland
22 november 2017
De voetbalweek van S&S: voetbalbestuurder bedreigt getuige in de rechtszaal
Pijl
Afgelopen week begon in New York de strafzaak rond wereldwijde corruptie bij de internatio...
22 november 2017 // Voetbal
21 november 2017
Wat gaat de verruiming van de btw-vrijstelling betekenen voor de sport?
Pijl
Begin deze maand werd bekend dat het kabinet het Sportbesluit gaat aanpassen. De btw-vrijs...
21 november 2017 // Overheid

Partnernieuws

Fontys Economische Hogeschool Tilburg (SPECO) Arko Sports Media en Fontys Economische Hogeschool Tilburg (SPECO) verlenge...
Werkenindesport.nl Nieuwe vacatures in de sport bij: KNGU, Jeugdsportfonds en Rugby Nederland
Neptunus Etagehal bouwen op een berghelling: de uitdaging van tijdelijke accommodati...
ATPI Sports Events Van vliegtuigstoel tot gouden plak
Sportgeneeskunde Nederland Anne Benjaminse en Nick van der Horst winnen TulipMed Prijs 2016
NOC*NSF Ferrero en NOC*NSF lanceren actieplan om sportplezier bij kinderen te vergr...
Sport & Zaken European Company Games komen naar #Arnhem2021!
Jongeren Op Gezond Gewicht Winning Serve met Team:Fit bij het Ricoh Open
TDE Triple Double en E-sites bundelen krachten in nieuw digitaal bureau TDE
Hogeschool Rotterdam Opleiding SportMarketing & Management tekent samenwerkingsovereenkomst met ...
Improve Your Business English Steenkolengels, no more!